Voorwoord
Het Programma van Eisen kwaliteit Monumenten 2009 (PvEM 2009) bevat
restauratieve richtlijnen voor het behoud van de technische en monumentale
kwaliteiten van beschermde objecten en vervangt het PvEM van 2002 en
2003. De richtlijnen zijn bedoeld als leidraad voor planontwikkeling,
planbeoordeling en de uitvoering van de verbouwings- of
restauratiewerkzaamheden. Het onderstaande is geen complete restauratieve
handleiding maar een beknopte leidraad voor veel voorkomende
praktijkgevallen.
Het PvEM 2009 is een aanvulling op het door stadsdeel Centrum opgestelde
Programma van Eisen Bouwkundige Kwaliteit (PvE, versie 2.0, 2009).
Het doorvoeren van de in het PvE omschreven middelen tot
kwaliteitsverbetering kan voor monumenten echter een kwaliteitsverlies
betekenen. Verlies in de directe zin door het aanpassen of verwijderen van
monumentale onderdelen of indirect doordat een aanpassing technische,
fysische en/of chemische effecten hebben die schade tot gevolg hebben.
De restauratieve richtlijnen in het PvEM zijn opgesteld vanuit een
behoudtechnische optiek. Uitspraken over nieuwe toevoegingen of
aanpassingen worden niet gedaan, zolang er geen historische onderdelen in
het geding zijn en de wijzigingen technisch, fysisch en chemisch
verenigbaar zijn met het monument. De richtlijnen geven globaal aan
wanneer de vrijstellingsregeling volgens artikel 1.12 van het Bouwbesluit
2003, van toepassing is. Het PvEM bewaakt de bouwkundige en
monumentale kwaliteit van monumenten. Het is nagenoeg onmogelijk
hiervoor algemene, toetsbare criteria op te stellen. Veel is afhankelijk van de
ouderdom, het materiaalgebruik, de fysische condities en de
monumentaliteit. Met name dit laatste begrip is niet absoluut te definiëren.
Per project zal het gemeentelijke bureau Monumenten en Archeologie een
omschrijving maken waarin de monumentale waarden zijn vastgesteld
Wetgeving
Iedere wijziging aan een beschermd monument moet worden beoordeeld
door het bureau Monumenten en Archeologie (BMA) en de Commissie van
Welstand en Monumenten (CWM). Veel aspecten die in het PvEM 2009
worden aangehaald zijn vergunningsplichtig ex artikel 11 van de
Monumentenwet 1988 voor Rijksmonumenten of ex artikel 10 van de
Monumentenverordening stadsdeel Amsterdam-Centrum 2005 voor
gemeentelijke monumenten. Het volgen van de richtlijnen laat niet onverlet
dat bij wijziging van een monument altijd een monumentenvergunning
nodig is.
Voorts geldt te allen tijde:
Artikel 11 van de Monumentenwet 1988:
1. Het is verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen.
2. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning:
Voorwoord 3 a. een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in
enig opzicht te wijzigen;
b. een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
Indien iemand zonder vergunning en/of in afwijking van deze vergunning
werkzaamheden in of aan een monument uitvoert is dit een overtreding.
Artikel 56 van de Monumentenwet 1988:
1. Hij die opzettelijk handelt in strijd met artikel 11, met artikel 37, eerste
lid, of met een maatregel getroffen op grond van artikel 49, eerste lid, wordt
gestraft met een gevangenisstraf van een jaar of een geldboete van de vijfde
categorie.
2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een der artikelen 39, eerste lid, en
47, eerste lid, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een jaar of een
geldboete van de vijfde categorie
3. De feiten zijn misdrijven.
Gebruik
Het PvEM wordt gebruikt in samenhang met het PvE. In het PvE worden
wettelijke eisen, beleidsrichtlijnen en de praktijk van de beoordeling door
Bouw-en Woningtoezicht met elkaar verenigd. De hoofdonderwerpen van
het PvE zijn verdeeld over een aantal hoofdstukken waarin het gebouw van
de grond af, van fundering tot dak en vervolgens het interieur, wordt
opgebouwd, De indeling van het PvEM volgt deze indeling ook.
Het PvEM 2009 is gebaseerd op twee beginselen van de monumentenzorg te
weten behoud gaat voor vernieuwen en de bouwgeschiedenis
eerbiedigen . De diverse onderdelen van de richtlijnen liggen in het
verlengde van deze uitgangspunten.
Het PvEM 2009 bestaat uit uitgangspunten gevolgd door uitvoeringseisen,
eventueel een functionele toets of aanwijzing en indien nodig een
aanvullende toelichting.
Afwijking van de richtlijnen
BMA kan in gevallen waarbij de aard of het kwaliteitsniveau van de
monumentale waarden niet in deze richtlijnen algemeen geregeld worden,
nadere eisen stellen.
Van de vrijstellingsregel, art. 1.12 van het Bouwbesluit 2003, kan gebruik
worden gemaakt als er monumentale waarden in het geding zijn of als de
aanpassing zou leiden tot gevolgschade door fysische of chemische reacties.
Indien Bouw- en Woningtoezicht expliciet eist dat aan een veiligheidseis
voldaan moet worden, terwijl er monumentale waarden in het geding zijn,
moet er gezocht worden naar een alternatieve oplossing waarbij aan de eis
tot een aanvaardbaar niveau tegemoet wordt gekomen en de aantasting van
het monument tot een minimum beperkt blijft.
Wilt u meer weten over energie en monumenten?
Een uitgebreid verslag over een symposium over “Energie in Monumenten” georganiseerd door stadsdeel Amsterdam-Centrum in september 2007 vindt u via deze link.
1 Algemeen
Uitgangspunt
- Behoud gaat voor vernieuwen.
De historische bouwmaterialen, structuren en constructiewijzen vertegenwoordigen een belangrijke monumentale en historische waarde. Deze waarde dient zoveel mogelijk te worden gerespecteerd, opdat de geschiedenis en ontwikkeling van het ambachtelijke bouwen alsmede het dagelijks gebruik van een monument afleesbaar zijn. Door vervanging gaat deze afleesbaarheid voorgoed verloren.
- Bouwhistorie eerbiedigen.
Het transformatieproces, door verandering van het gebruik of functie, dat een gebouw door de tijd heen ondergaat, heeft een grote historische waarde. Een monument ontleent veelal zijn waarde aan de bouwgeschiedenis. Latere wijzigingen of toevoegingen kunnen van groot belang zijn omdat de bouwgeschiedenis van een gebouw daaraan afleesbaar is. Door reconstructie wordt deze afleesbaarheid verstoord. In een reconstructie wordt weliswaar getracht een historisch beeld op te roepen, maar daarvoor moeten vaak historisch waardevolle onderdelen uit een latere tijdsperiode wijken.
- Toevoegingen en veranderingen aan monumenten moeten reversibel zijn.
De verandering moet in beginsel een toevoeging zijn die weer ongedaan kan worden gemaakt, zonder de monumentale waarden aan te tasten.
- Nieuw toe te passen materialen moeten compatibel zijn.
Historische materiaaltoepassingen en/of constructiewijzen zijn niet altijd verenigbaar met de hedendaagse bouwmaterialen of constructiewijzen. Zij kunnen fysische en/of chemische reacties veroorzaken die schade toebrengen aan het monument. De toe te passen technieken mogen geen mechanische, fysische of chemische schade toebrengen aan een monument.
- Vernieuwen met oude materialen blijft vernieuwen. Hergebruik van historische bouwmaterialen verdient echter wel de voorkeur.
Toelichting
-
Onderdelen of elementen mogen niet worden vervangen als herstel mogelijk is. Indien een onderdeel of element, ondanks kwaliteitsverlies, zijn functie nog vervult is vervanging geen optie. Indien een toevoeging nodig is om een onderdeel of element naar behoren te laten functioneren is dit te prevaleren boven een volledig nieuw onderdeel of element.
- De bestaande situatie is dwingend ten opzichte van een eventuele wijziging of aanpassing. Indien de bestaande situatie niet de oorspronkelijke situatie is, kan in overleg met BMA de oorspronkelijke situatie worden hersteld mits er geen historisch relevante onderdelen ten behoeve van dit herstel worden verwijderd.
- Noviteiten mogen niet zonder meer toegepast worden in of bij een monument. Materialen of technieken moeten hun toepasbaarheid door attest of ervaring aantonen. In geval van twijfel kan een materiaal of techniek geweigerd worden.
2 Fundering
Uitgangspunt
- Een bouwwerk mag slechts worden voorzien van een nieuwe fundering als de oorspronkelijke fundering aantoonbaar slecht en/of overbelast is. De oude fundering wordt niet verwijderd.
Functionele toets
- Een funderingsrapport moet uitsluitsel bieden over de technische staat en de mate van aantasting van de fundering. De kwaliteitsniveaus van het casco-funderingsonderzoek zijn hierbij het uitgangspunt.
- Bij een aanschrijvingsniveau: het kwaliteitsniveau voldoet niet aan het Bouwbesluit, is een nieuwe fundering noodzakelijk.
- Bij een kwaliteitsniveau beperkte bruikbaarheidsduur: de betrouwbaarheid van de constructie moet gegarandeerd zijn voor een periode van 15 jaar, is een nieuwe fundering mogelijk indien er geen monumentale waarden in het geding zijn.
- Bij splitsingsniveau: de betrouwbaarheid van de constructie moet gegarandeerd zijn voor een periode van 25 jaar.
- Bij nieuwbouwniveau is een nieuwe fundering niet toegestaan. In het PvEM 2007 zijn bruikbaarheidscriteria voor het vaststellen van het kwaliteitsniveau opgenomen.
- Indien een object een gemeenschappelijke bouwmuur heeft moet er een afstemming met de funderingssituatie van het belendende pand komen.
- Voor de beoordeling van mogelijke schade door trillingen bij het plaatsen van nieuwe palen wordt de strengste grenswaarde uit het SBR-rapport, Meet en beoordelingsrichtlijn, schade aan gebouwen ten gevolge van trillingen, deel 1, 1993 gehanteerd. Trillingsvrije systemen genieten de voorkeur.
- Statisch gedrukte buispalen in bouwmuren of gevels zijn in beginsel niet toegestaan. De aantasting van het historische metselwerk als gevolg van inkassingssleuven is dermate groot, dat voor een minder ingrijpende reguliere funderingstechniek moet worden gekozen. Wanneer een souterrain of kelder monumentale waarden vertegenwoordigen die bij funderingsherstel met een betonplaat met inkassingen verloren gaan en waarbij het verlies aan monumentale waarden groter is dan de aantasting van het historisch metselwerk, zijn statisch gedrukte buispalen in bouwmuren of gevels wel een optie.
Toelichting
- Onvoldoende draagvermogen van een fundering moet rekentechnisch worden aangetoond. De nuttige diameter van een paal bepaalt het draagvermogen, niet de mate van aantasting. Indien een aangetaste paal nog voldoende draagvermogen heeft en de fundering aan minimaal kwaliteitsniveau beperkte bruikbaarheidsduur voldoet is een nieuwe fundering niet nodig.
- Voor het uitdiepen van kelders en souterrains zie hoofdstuk § 7.1 Kelders en souterrains.
- Indien een nieuwe fundering wordt aangebracht, mag de oude fundering niet worden aangetast of verwijderd.
3 Constructieve onderdelen
Uitgangspunt
- Aanpassingen in een monument mogen in geen geval een wijziging of aantasting van de hoofddraagconstructie tot gevolg hebben. Herstel van de bestaande constructie is het uitgangspunt. Indien de bestaande constructie niet toereikend is, dienen noodzakelijke versterkingen of stabiliteitsvoorzieningen in beginsel een reversibele toevoeging te zijn. Overbodig geraakte constructieve onderdelen moeten gehandhaafd blijven.
Functionele toets
- Rekentechnisch moet worden aangetoond dat een constructie niet toereikend is. Indien herstellen geen optie is kan het constructieve element of onderdeel vervangen worden door een bij de constructie van het object passend element of onderdeel.
Uitvoeringseisen
- Bij demontage van een constructie moet de stabiliteit van het geheel gewaarborgd zijn.
- Wanneer een stabiliteitsportaal is vereist moet dit zodanig worden geplaatst dat er geen monumentale onderdelen worden aangetast of verwijderd.
- Wanneer een pand een historisch waardevolle pui en/of een historisch waardevolle puibalk bevat mag een stabiliteitsportaal niet op de plek van de pui of puibalk komen. Wanneer de pui geen monumentale waarden vertegenwoordigt is deze plek juist het meest geschikt voor het aanbrengen van een stabiliteitsportaal.
Aanwijzing
- Wanneer bij een pand met een monumentale pui geen alternatieve oplossing voor het portaal voorhanden is en/of een portaal niet alleen vereist is omwille van de stabiliteit, maar dat ook de gevel constructief moet worden ondervangen zal in overleg met BMA en het Stadsdeel Amsterdam Centrum per geval gekeken moeten worden hoe de draagvoorziening wordt aangebracht.
3.1 Houten kappen en balklagen
Uitvoeringseisen
- Onderdelen die zijn aangetast door insecten en/of schimmels mogen pas vervangen worden als de onderdelen onvoldoende draagvermogen hebben en/of bestrijding niet mogelijk is.
- Slechte onderdelen moeten niet in hun geheel worden vervangen, maar afgezaagd tot voorbij het niet aangetaste gezonde hout en aangelast (schuine lip- of haaklas; Llas = 2-2,5 hoogte balk) in beginsel met dezelfde houtsoort van hetzelfde formaat. Indien meer dan 40% van een onderdeel is aangetast is volledig vervangen toegestaan.
- Het gebruik van epoxyharsen ter vervanging van balkkoppen en dergelijke is toegestaan tot maximaal 1/5e van de overspanning tot een maximum van 1,20 meter. Rekentechnisch moet worden aangetoond of de gerepareerde balk voldoende draagvermogen heeft.
- Staalconstructies of stalen hulpconstructies mogen niet worden toegepast. Staal heeft een andere uitzettingscoëfficient dan hout waardoor spanningen kunnen ontstaan. Daarnaast is de toepassing daarvan een aantasting van de oorspronkelijke constructiemethode. Indien nodig, zijn verstijvingen in overleg met BMA en een constructeur toegestaan.
Aanwijzingen
- De aanwezigheid van insecten of schimmels maakt niet altijd dat het ‘aangetaste’ hout moet worden vervangen. In voorkomende gevallen kan bij een beperkte aantasting met het verlagen van het vochtgehalte in het hout en/of het toepassen van een bestrijdingsmiddel worden volstaan.
3.2 Dragend metselwerk
Uitvoeringseisen
- Zettingscheuren moet men niet dichtsmeren maar inboeten zodat de muur een constructief geheel blijft vormen. De te gebruiken stenen en mortel moeten zijn aangepast aan de fysische en chemische eigenschappen (hardheid, samenstelling) van de bestaande wand. Indien het inboetwerk niet is aangepast aan het bestaande metselwerk kunnen reacties optreden die schade veroorzaken. Voorts bestaat het risico dat het inboetwerk onvoldoende aan het bestaande werk hecht.
- Geroeste ankers mogen niet worden vervangen maar moeten ontroest en behandeld worden, tenzij herstel niet mogelijk is. Een controleberekening moet aantonen of een anker in die mate is gecorrodeerd dat hij niet sterk genoeg meer is.
- Indien er sprake is van een kalkmortel alleen kalk toepassen en geen cement toevoegen. Schelpkalk moet voldoen aan NEN 9031. Hulpstoffen zijn niet toegestaan. Mengverhoudingen, afhankelijk van de milieuklasse en de samenstelling van het bestaande metselwerk volgens NEN 3835.
3.3 Beton
Uitvoeringseisen
- Betonreparaties dienen te worden uitgevoerd zoals gesteld in RVblad 01-1, UDC 691.32 en de relevante CUR-aanbevelingen.
- De reparatiemortel moet aangepast zijn aan de betonkwaliteit, betonsamenstelling en elasticiteitsmodulus van de bestaande constructie.
- De bestaande oppervlakte structuur, textuur en oppervlakte behandeling kunnen een wezenlijk onderdeel zijn van de architectonische expressie. Het is van belang dat reparaties een zelfde afwerking en uiterlijk krijgen als de te herstellen betonconstructie.
- Ongeschilderde betonconstructies moeten ongeschilderd blijven tenzij de schone betonconstructie geen wezenlijk onderdeel is van de karakteristiek van het monument.
- Wanneer het noodzakelijk is een schone betonconstructie te beschermen tegen vochtindringing en reguliere bouwkundige maatregelen geen oplossing bieden, kan de beton behandeld worden met een kleurloze minerale verf. De oppervlakte behandeling moet in overleg met en ten genoegen van BMA plaats vinden.
Aanwijzingen
- Door het toepassen van bijvoorbeeld geprefabriceerde koolstofwapening of kunststof lagen met weefselmatten kunnen historische betonconstructies die volgens de huidige normen een te gering draagvermogen hebben worden versterkt.
- In een vroeg stadium wanneer de wapening en beton nog niet te zeer zijn aangetast kan het kathodisch beschermen van het wapeningsstaal een verder verval voorkomen. Zie NEN-EN 12696:2000.
3.4 IJzer, staal
Uitvoeringseisen
- Constructieve ijzeren of stalen onderdelen dienen te worden gehandhaafd en indien nodig hersteld, tenzij aantoonbaar is dat herstel niet mogelijk is. Rekentechnisch moet worden aangetoond dat een onderdeel of element niet meer voldoet.
- In geval van vervanging of toevoeging van nieuwe stalen constructieve onderdelen moet men rekening houden met de mogelijke legeringsverschillen tussen de oude en nieuwe onderdelen in verband met contactcorrosie.
- Aan een historische ijzer- of staalconstructie mag niet gelast worden. Lassen is niet reversibel en historische ijzer- of staalconstructies bevatten overwegend een te hoog koolstofgehalte. Lassen is alleen mogelijk, indien door onderzoek blijkt dat er geen monumentale waarden in het geding zijn en de ijzer- of staalconstructie een koolstofgehalte bevat lager dan 5%.
4 Gevels
Uitgangspunt
- De uiterlijke kwaliteiten en technische staat van een gevel zijn van groot belang voor de historische waarde en de beleving van een monument. Een zorgvuldige en terughoudende omgang met de gevel is derhalve een voorwaarde. Onzorgvuldig omgaan met de gevel leidt tot onherstelbare beschadiging. Materiaaltoepassing, metselverband, patina, textuur, vorm en uiterlijk van het voegwerk, vormen een wezenlijk bestanddeel van de historische waarde van een gevel. Conservering van de bestaande gevel dient derhalve het uitgangspunt te zijn.
Uitvoeringseisen
- Indien een monument niet voorzien is van een spouwmuur mag geen spouw aangebracht worden, ook niet bij vervanging van een gevel.
Aanwijzingen
- In geval van schade of calamiteiten bij gevels moet eerst de oorzaak van de schade worden vastgesteld en verholpen alvorens tot reparatie wordt overgegaan. Vaak wordt te snel een oorzaak aangewezen die achteraf niet juist blijkt te zijn, waardoor onnodige wijzigingen aan de gevel zijn aangebracht.
4.1 Reiniging
Uitgangspunt
- Reinigen van gevels is niet toegestaan tenzij de verontreiniging (organisch of chemisch) schade kan veroorzaken aan de gevel (metselwerk en/of natuursteen) of een gevel dermate vuil is dat de architectonische expressie volledig verloren is gegaan.
- Antigraffitilagen zijn toegestaan indien zij kleurloos (niet glanzend), dampdoorlatend en zelfopofferend zijn. Indien er sprake is van massief metselwerk mag een antigraffitilaag alleen toegepast worden indien het gebouw geen aantoonbare fysische schade van de beschermlaag ondervindt. Permanente en semi-permanente antigraffiti-systemen zijn niet toegestaan.
Uitvoeringseisen
- Bij de reiniging wordt een gevel in fysieke en esthetische zin gewijzigd. Bij beschermde monumenten is daarom een monumentenvergunning vereist.
- Indien een monumentale gevel met graffiti is beklad, moet eerst worden vastgesteld welk type verf is gebruikt. Vervolgens kan de reinigingstechniek worden bepaald, waarbij in ogenschouw moet worden genomen welke schade de reinigingsmethode kan aanrichten.
- Het verwijderen van graffiti door middel van stralen is niet toegestaan.
- Een antigraffitilaag mag alleen worden aangebracht met de toestemming en volgens de voorwaarden van BMA. Aan de onderzijde dient een strook van c.a. 100 mm onbehandeld te blijven om zakwater de mogelijkheid van uittreding te geven.
Aanwijzingen
- Voor graffitiverwijdering kan BMA adviseren voor zowel verwijderings- als beschermingssystemen.
- De minste beschadiging ondervindt een monument als van een gevel, welke niet van een beschermlaag is voorzien, de graffiti binnen 24 uur wordt verwijderd met de voor de verfsoort en ondergrond juiste reinigingsmethode.
Toelichting
- Gevelreiniging brengt in alle gevallen een zeker schaderisico met zich mee. Reiniging kan de gevel mechanisch of chemisch beschadigen wat kan leiden tot afzanden, verpoederen, schilferen en afbrokkelen. Metselwerk en vele soorten natuursteen zijn na reiniging door het verwijderen of aantasten van de bakhuid veelal meer poreus wat leidt tot grotere wateropname van de gevel, meer kans op vorstschade en een snellere en diepere vervuiling van de gevel. Wat voor de ene gevel en/of materiaal een geschikte reinigingsmethode is, kan bij een andere gevel en/of materiaal ernstige schade opleveren. Het is derhalve onmogelijk om een uniforme reinigingsmethode aan te geven. De methode van reinigen wordt bepaald in overleg met BMA.
- De technische noodzaak van reinigen is meestal niet aanwezig. Een reiniging enkel om esthetische redenen is niet toegestaan.
4.2 Voegwerk
Uitgangspunt
- Alleen die delen van het voegwerk die slecht zijn dienen te worden vervangen. Een licht beschadigde voeg die zijn functie nog vervult is te prevaleren boven een nieuwe voeg. Een voeg is slecht als hij zijn waterwerende functie niet meer vervult. Hardheid is geen criterium voor het vervangen van een voeg. Indien meer dan 70 % van het voegwerk slecht is, mag het voegwerk integraal worden vervangen. Indien het metselwerk een oppervlakte van minder dan 35 vierkante meter beslaat, mag het voegwerk integraal worden vervangen als 50% van het voegwerk in een slechte staat verkeert. In het geval dat de aantasting onder het bovengenoemde percentage blijft maar zeer over de gevel is verspreid, kan het voegwerk in overleg met BMA integraal vervangen worden.
Uitvoeringseisen
- De voeg moet worden verwijderd met gereedschap dat geen schade toebrengt aan het historisch metselwerk. Een lintvoeg dient, alvorens hij met een naaldbeitel wordt uitgehakt, eerst langs een rei met een op lage toeren draaiende diamantzaag tot de gewenste uithakdiepte te worden ingezaagd. Vervolgens kan de stootvoeg handmatig worden verwijderd. Bij metselwerk met een lintvoeg die smaller is dan 7 mm is alleen inzagen van de lintvoeg toegestaan. Een stootvoeg smaller dan 1,5 mm mag niet worden verwijderd.
- Het gebruik van een slijptol voor het verwijderen van voegwerk is niet toegestaan.
- De voegmortel moet qua samenstelling aangepast zijn aan de samenstelling en hardheid van het bestaande metselwerk.
- De voegafwerking moet identiek zijn aan de bestaande situatie.
- Indien er sprake is van een kalkmortel moet de toe te passen schelpkalk voldoen aan NEN 9031. Hulpstoffen zijn niet toegestaan. De mengver- houdingen moeten, afhankelijk van de milieuklasse en de samenstelling van het bestaande metsel- of voegwerk, volgens NEN 3835 zijn.
Aanwijzigen
- Het metselwerk moet dusdanig bevochtigd zijn dat er geen wateronttrekking aan de voegspecie optreedt.
- Het uitdrogen van vers voegwerk dient te worden voorkomen.
- Het is niet mogelijk kalk en trasvoegen aan te brengen in een periode waarin vorst kan optreden.
4.3 Reparatie, inboeting
Uitgangspunt
- Bestaand metselwerk dient geconserveerd te worden. Metselwerk mag pas vervangen worden als de onderlinge samenhang en scheurvorming herstel verhinderen.
Uitvoeringseisen
- De in te boeten stenen moeten qua hardheid, formaat, kleur en textuur aansluiten op het bestaande metselwerk. Hierbij zijn de fysische eigenschappen van de inboeting belangrijker dan de kleur. De in te boeten stenen moeten in hetzelfde verband worden verwerkt als in de bestaande situatie.
- De metselmortel moet aangepast zijn aan de samenstelling en hardheid van de bestaande mortel.
- In het geval dat bestaande beschadigde stenen verdere schade tot gevolg kunnen hebben is ook een reparatiemortel toegestaan mits uitgevoerd volgens de richtlijnen in de brochure van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (voormalig RACM), info restauratie en beheer nr. 5, 1996.
- IJzeren elementen in de gevel dient men te ontroesten en ijzeren restanten zonder functie (of decoratieve waarde) te verwijderen.
- Indien er sprake is van een kalkmortel moet de toe te passen schelpkalk voldoen aan NEN 9031. Hulpstoffen zijn niet toegestaan. Mengverhoudingen moeten, afhankelijk van de milieuklasse en de samenstelling van het bestaande metsel- en voegwerk, volgens NEN 3835 zijn.
Aanwijzingen
- Het bestaande metselwerk en de in te brengen stenen moeten dusdanig vochtig zijn dat er geen vochtuitwisseling plaats vindt.
4.4 Natuursteen
Uitgangspunt
- Indien schade aan natuursteen verdere schade aan het monument tot gevolg kan hebben, dient de steen met een daartoe geëigende reparatiemortel gerepareerd te worden. Hierbij mag de reparatieplek niet grotere omvang hebben dan 10 cm³.
- In geval van ernstige schade dan wel verwering (meer dan 10 cm³) is inboeting van een nieuw stuk natuursteen van dezelfde soort, kleur en afwerking toegestaan.
- Natuursteen mag pas vervangen worden als herstel niet mogelijk is. Ernstig aangetaste natuurstenen elementen waarvan het materiaalverlies door verwering meer dan 10% is ten opzichte van het oorspronkelijke element, mogen vervangen worden door een kopie van dezelfde steensoort. Voor ornamenten kan, indien de expressie volledig verloren is gegaan, in overleg met BMA, het element vervangen worden door een kopie in dezelfde steensoort.
- Indien een natuursteensoort niet meer voorradig is kan in overleg met BMA een alternatieve steensoort of reparatiemethode worden gezocht.
- Consolidatie van natuurstenen onderdelen met een acrylhars is alleen toegestaan als reguliere reparatiemethoden geen oplossing bieden en de dampdichtheid van de behandelde onderdelen geen schade bij het monument kunnen veroorzaken. De methode is alleen toe te passen met toestemming van BMA.
Uitvoeringseisen
- Nieuw aan te brengen natuursteen dient eenzelfde afwerking te krijgen als in de bestaande situatie.
- Epoxyharslijmen zijn alleen voor kleine verticale scheuren (max. 1,2 mm) toegestaan. Indien het bij horizontale scheuren toegepast zou worden vormt de reparatie een waterwerende laag wat kan leiden tot vorstschade of verwering.
- Het toepassen van steenverstevigers is niet toegestaan. De laag is niet te verwijderen zonder schade en dient in verband met verwering na circa acht jaar opnieuw aangebracht te worden waardoor de textuur van het natuursteen volledig verloren gaat. Indien de laag gaat verweren en er vocht achter de verstevigingslaag komt, kan door vorst of afschilfering ernstige schade ontstaan.
Aanwijzing
- De aard van de schade geeft de reparatiemethode aan.
4.5 Stoepen
Uitgangspunt
- Historische stoepen mogen alleen vervangen worden met de toestemming van BMA. Indien een stoep slecht is moeten de natuurstenen elementen hergebruikt worden. Onderdelen mogen pas worden vervangen indien zij aantoonbaar slecht zijn en herstel niet mogelijk is.
Uitvoeringseisen
- Bij enkelvoudige breuk dienen de treden gelijmd te worden.
- Nieuw te vervaardigen onderdelen dienen eenzelfde afwerking en detaillering te krijgen als in de oorspronkelijke situatie.
- De bevestiging van balusters van trapleuningen moet in lood gebeuren. Aan historische gietijzeren traphekken mag niet gelast worden.
4.6 Afwerking
Uitgangspunt
- Het hydrofoberen van gevels is niet toegestaan, tenzij bouwkundige maatregelen geen oplossing bieden om vochtdoorslag in gevels te voorkomen.
- Op gevels mogen alleen pleisterlagen worden aangebracht als deze al aanwezig zijn of als dit historisch verantwoord is. Hoekbeschermers zijn niet toegestaan.
- Alleen gevels die geolied zijn mogen opnieuw geolied worden.
- Gevels mogen niet geschilderd of geteerd worden tenzij dit historisch verantwoord is.
- Natuursteen mag alleen geschilderd worden als dit historisch verantwoord is.
- Tegeltableaus moeten gehandhaafd blijven en mogen niet worden overgeschilderd of anderzijds weggewerkt worden op een wijze die schade aan het tableau veroorzaakt.
- Het polychromeren van gevelstenen en reliëfs is alleen toegestaan, indien ze dateren uit een tijd dat polychromeren gebruikelijk was. Bij polychromering dient men zich te laten leiden door de voorstelling of het onderschrift. Het aanbrengen van extra ornamenten of kleur, zonder dat daar -bijvoorbeeld in het reliëf of het onderschrift- aanwijzing voor is, is niet toegestaan, tenzij historisch onderzoek kan aantonen dat daarvan wel sprake was. Waar geen reliëf aanwezig is, moet gekozen worden voor een natuursteenkleur.
Uitvoeringseisen
- De toe te passen pleisters moeten damp-open zijn (Sd totale constructie 30cm).
- Er moet met een damp-open product worden geschilderd, bij voorkeur een minerale verf, olieverf of eventueel met een zuivere siliconenhars-emulsieverf.
- Het schilderen van gevelstenen met olie- of siliconenemulsieverf is aan te raden, omdat verf de stenen beschermt. Het verfsysteem moet damp open zijn en moet zonder schade aan de steen te verwijderen zijn. Het gebruik van mineralogische verven op gevelstenen is niet toegestaan, omdat deze verven een reactie aangaan met de ondergrond.
- Er dient met een blanke half rauwe/half gekookte lijnolie te worden gewerkt, zonder siccatieven. Pigment mag alleen toegevoegd worden in overleg met BMA.
- Geoliede gevels mogen niet geschilderd worden.
- Het toepassen van een gevelafwerking die niet aanwezig is in de bestaande situatie mag alleen aangebracht worden met de toestemming en volgens de voorwaarden van BMA.
- Het hydrofoberen van een gevel is alleen toegestaan met de toestemming en volgens de voorwaarden van BMA.
- De kleur en verfsoort moeten in overleg met BMA worden bepaald.
- Indien er sprake is van voegwerkherstel of inboeting minimaal 8 weken wachten met oliën. Als een voeg niet volledig is uitgehard zal verzeping van de voeg optreden.
Toelichting
- Het is van groot belang dat historische constructies damp-open worden gehouden. Vocht uit het gebouw migreert in dampvorm door de constructie. Aangezien de gebouwen dampdiffusietechnisch en thermisch, overwegend onoplosbaar, lek zijn heeft het afsluiten van een constructie ernstige gevolgen. Het vochtgehalte in de constructie zal door de remming toenemen waardoor houten elementen zoals balken of kozijnen veelal een te hoge vochtconcentratie krijgen waardoor rot kan ontstaan. Met name als bijvoorbeeld de kozijnen zelf met een dampdichte verf geschilderd zijn. IJzeren ankers in de gevel gaan ook sneller corroderen wat weer tot scheurvorming in het metselwerk zal leiden. Water dat bijvoorbeeld door inwendige condensatie in de constructie komt kan er door de waterwerende laag niet uit wat het verval versnelt. Een tweede probleem is dat bijvoorbeeld hydrofobeermiddelen verweren. Na een aantal jaren moet opnieuw gehydrofobeerd worden anders kan de gevel plaatselijk inwateren. Verder moet een gevel homogeen van aard zijn en niet te veel zouten bevatten anders is de hydrofobeerlaag op den duur niet waterdicht. Verder kan door zoutdruk schade aan het metselwerk ontstaan. Tot slot is het hydrofoberen niet reversibel. Zie ook: TNO Bouw 94-BT-RO721, Schade aan monumenten na hydrofoberen, Delft, 1994.
4.7 Nieuwe voorzieningen
Uitgangspunt
- Voorzieningen die een niet reversibele toevoeging zijn en waarvoor in de gevel een sparing of gat moet worden aangebracht, zoals brievenkasten, bel en intercomvoorzieningen, gevelstenen, etc. zijn in beginsel niet toegestaan.
- Muurventilatieroosters of muursuskasten zijn niet toegestaan.
- Voorzieningen die een reversibele toevoeging zijn, zoals lampen, camera’s, losse brievenkasten, reclame-uitingen, etc. mogen niet in natuurstenen onderdelen worden bevestigd. De voorzieningen moeten voldoen aan de geldende Welstandsrichtlijnen en zijn vergunningsplichtig.
- Buitenzonwering en rolluiken zijn in beginsel niet toegestaan.
5 Gevelsparingen
Uitgangspunt
-
Indien in het verleden vensters en deurpartijen zijn vervangen in een materiaal dat historisch gezien niet toegepast had mogen worden, dienen deze bij een vernieuwing te worden vervangen door een historisch verantwoord materiaal.
Uitvoeringseis
-
Kozijnen van kunststof en aluminium zijn niet toegestaan.
Toelichting
-
De oorspronkelijke vensters en deurpartijen zijn mede bepalend voor de verschijningsvorm van het monument. Bestaande historische vensters en deurpartijen dienen daarom gehandhaafd te worden.
5.1 Houten vensters en deurpartijen
Uitgangspunt
-
Bestaande houten vensters en deurpartijen dienen zo veel mogelijk te worden gehandhaafd.
Uitvoeringseisen
-
Het volledig vervangen van vensters of deurpartijen die nog hersteld kunnen worden of nog in goede staat verkeren, is niet toegestaan. Zijn onderdelen van een historisch venster of deurpartij slecht, dan wordt niet het gehele element maar alleen de slechte onderdelen vervangen. Een onderdeel is slecht als meer dan 40% is aangetast. De detaillering en de afmetingen van de nieuwe onderdelen van historische vensters of deurpartijen moet worden aangepast aan de bestaande detaillering en afmetingen en in principe uitgevoerd in dezelfde houtsoort.
-
Voor de reparatie van historische vensters en deurpartijen moeten oude, beproefde verbindingstechnieken worden toegepast. Het verlijmen van verbindingen is niet toegestaan. Het handhaven van een demontabele constructie heeft het voordeel dat de constructie voor reparatie altijd weer uit elkaar kan worden genomen.
-
Reparaties van gedeelten van een historisch venster- of deurpartij moet gebeuren door uitstukken of aanlassen door middel van een liplas (L-las 2-2,5 x houtzwaarte) met dezelfde houtsoort als het bestaande venster of de deurpartij.
-
Reparatiemortels op kunststofbasis kunnen alleen voor gaten kleiner dan 10 cm³ worden toegepast.
-
Het is niet toegestaan om openingen tussen kozijn en muur met kit af te dichten. De naden tussen kozijn en gevel moeten met een damp-open voeg van kalkspecie worden afgedicht. Door kit als materiaal te gebruiken op oude houten constructies kan de mogelijkheid tot uittreding van vocht worden geblokkeerd.
-
Voor schilderwerk moet men damp-open verfsystemen gebruiken, waarvan de Sd-waarde kleiner is dan 30 cm (een Sd-waarde van 150 mm voor het verfsysteem wordt als damp-open beschouwd). Omdat oudere houtconstructies vanwege de aard van omliggende constructie vaak meer vochtbelast zijn dan de tegenwoordige constructies is het beter een damp-open verfsysteem toe te passen.
-
Het aanbrengen van een doorvalbeveiliging is een wijziging van het monument en als zodanig vergunningplichtig.
Toelichting
-
Historische venster- en deurpartijen horen tot de monumentale waarden van een pand. Het streven om deze onderdelen zoveel mogelijk aan de huidige normen te laten voldoen, mag nooit leiden tot aantasting van de monumentale waarden of integraal vervangen van de onderdelen. Indien een kozijn vanuit monumentaal oogpunt niet is aan te passen moet naar andere oplossingen gezocht worden. De normen van de KeuringsVoorschriften voor Timmerwerk (KVT ’95) gelden niet voor historische vensters en deurpartijen.
-
Indien de technische staat van het venster (kozijnen, ramen, deuren en luiken) zo slecht is dat het volledig vervangen moet worden, geldt als regel dat het nieuwe onderdeel overeenkomstig het oorspronkelijke wordt gemaakt. Aan het vernieuwen van vensters en deurpartijen in oude vorm kleven in sommige situaties bezwaren. Niet alle oude constructies voldoen zonder meer aan de eisen die onder meer de KeuringsVoorschrifen voor Timmerwerken (KVT ’95) stelt. Er zijn gecertificeerde timmerfabrikanten die oude vensters kunnen kopiëren die tevens voldoen aan de kwaliteitseisen. Wanneer op een enkel detail na, niet aan die eisen kan worden voldaan, hoeft dat geen probleem te zijn. Indien wordt afgeweken van de huidige kwaliteitsnorm kan de fabrikant een verklaring ondertekenen op welke details is afgeweken. Bij vervanging in de oude vorm kan men via artikel 1.12 van het Bouwbesluit 2003 ontheffing krijgen van de eisen waaraan een nieuw aan te brengen venster- of een deurpartij moet voldoen.
5.2 Stalen vensters en deurpartijen
Uitgangspunt
-
Stalen vensters en deurpartijen mogen alleen worden vervangen indien herstel niet mogelijk is.
Aanwijzingen
-
In geval van herstel of vervanging zijn bouwtechnische verbeteringen toegestaan mits het oorspronkelijke uiterlijk gehandhaafd blijft. Detaillering en uitvoering moeten in overleg met BMA geschieden.
5.3 Kleuren
Uitgangspunt
-
Het kleurgebruik vormt een wezenlijk onderdeel van de uitstraling van een monument en moet derhalve aansluiten bij de historie en karakteristiek van het pand of object. Het toe te passen palet aansluiten bij de historie en ontwikkeling van een pand of object.
Uitvoeringseisen
-
Wijzigingen van de kleuren van een gebouw zijn vergunningsplichtig.
Aanwijzing
-
Wanneer een façade in latere tijden een wezenlijke verandering heeft ondergaan is een palet dat aansluit bij de oorsprong van het pand historisch gezien onjuist. Bijvoorbeeld zijn kleuren die in de 17e eeuw gebruikelijk waren wezensvreemd op een van origine 17e eeuws pand wat in de 19e eeuw in beeld is gewijzigd.
-
Oude verflagen moeten niet volledig worden verwijderd maar overgeschilderd in verband met toekomstig kleuronderzoek, tenzij de diverse aanwezige verflagen gezamenlijk dermate dampdicht zijn dat in de aanwezige condities vochtproblemen te verwachten zijn.
5.4 Beglazing
Uitgangspunt
-
Historisch glas dient zoveel mogelijk gehandhaafd te blijven.
Uitvoeringseisen
-
Bij het aanbrengen van beschermende beglazing bij glas-in-lood vensters moet de ventilatie tussen het glas gewaarborgd zijn, waarbij de minimale afstand tussen het glas 45 mm bedraagt. Gebrandschilderd glas-in-lood mag in overleg met BMA in een zogenaamde museale opstelling geplaatst worden. De beschermende beglazing dient te zijn ontspiegeld.
-
Het gebruik van siliconenkit bij glas-in-lood is niet toegestaan.
-
Bij gebrandschilderd glas mogen alkalische of ionogene reinigingsmiddelen niet worden gebruikt.
-
Uitbuikend glas-in-lood mag niet in situ vlak worden geduwd.
Aanwijzingen
-
Voor voorwaarden met betrekking tot de toepassingsmogelijkheden van isolerende beglazing zie § 9.1 Ramen.
-
Getrokken glas heeft de voorkeur ten opzichte van floatglas.
-
Bij het aanbrengen van de door de Wet Geluidshinder vereiste voorzieningen tegen geluidsoverlast gelden dezelfde voorwaarden als bij het nemen van thermisch isolerende maatregelen. Zie § 9.1 Ramen.
6 Daken
Uitgangspunt
-
De bestaande historische dakbedekking dient te worden gehandhaafd.
Toelichting
-
De oorspronkelijke dakbedekking is vaak in samenhang met de architectonische uitdrukkingsvorm gekozen. Bestaande historische dakbedekkingen dienen daarom gehandhaafd te worden en daar waar de dakbedekking in het verleden is vervangen door een product dat historisch gezien niet toegepast had mogen worden dient deze bij een restauratie te worden vervangen door een historisch verantwoord product.
6.1 Dakbeschot
Uitgangspunt
- Het bestaande dakbeschot handhaven.
- Onbeschoten kappen mogen worden beschoten.
Uitvoeringseisen
- Indien het bestaande dakbeschot aantoonbaar slecht is en vervangen moet worden, dienen de herstellingen in hout van dezelfde soort en afmetingen als in de bestaande toestand te worden uitgevoerd, tenzij het bestaande beschot geen monumentale waarden vertegenwoordigt.
- Voor isolatie van de kap zie § 9.3 Daken.
- Afdichtingsmiddelen als kit en PUR-schuim zijn niet toegestaan.
- Historische kappen dienen voldoende te worden geventileerd.
6.2 Pannen
Uitvoeringseisen
- Bij het afnemen van de pannen dienen deze gesorteerd te worden en de bruikbare exemplaren, dat wil zeggen pannen waarvan levensverwachting 15 jaar of langer is, te worden hergebruikt.
- Mocht er een technische noodzaak zijn om tot gedeeltelijke of gehele vervanging over te gaan, dan wordt eenzelfde type pan toegepast.
- Bij toepassing van een nokvorst op een dak met oud-hollandse pannen moet een platte nokvorst worden toegepast. Voor een loden nokafdekking zie § 6.4 Zink, koper en lood.
Aanwijzingen
- Het aansmeren van pannen mag alleen in geval van noodherstel of reparatie van incidentele lekkages. Voor het aansmeren van de nok en hoekkepervorsten mag alleen kalkspecie worden toegepast. Het gebruik van portlandcement is niet toegestaan.
- Op een preïndustrieel pannendak hoort bij voorkeur een met de hand vervaardigde, holle pan te liggen.
- Het verdient de aanbeveling zowel de bestaande pannen als de nieuwe pannen bij elkaar te leggen. Bij veel materiaalverlies is het raadzaam met de overgebleven goede pannen één dakvlak te dekken.
- Het is aanbevelenswaardig onder oud-hollandse pannen een dampdoorlatende folie aan te brengen.
- Indien een dak gedekt is met een niet meer verkrijgbare pan, wordt in overleg met BMA een oplossing gezocht.
Toelichting
- Het historisch pannendak vormt een wezenlijk onderdeel van het monument en is mede daardoor van belang voor het stadsbeeld. De tendens om holle pannen tijdens de restauratie te vervangen door opnieuw verbeterde Hollandse of door nieuwe “oude” pannen is een ongelukkige ontwikkeling. Het eenvormige strakke uiterlijk van die pannen is wezensvreemd aan het historische dak.
6.3 Leien
Uitvoeringseisen
- Het keuren van leien op fysische, chemische en petrografische kenmerken van duurzaamheid en kwaliteit is van belang voor de instandhouding van daken. Bij vernieuwing is een keuring van elke voor één specifiek object bestemde partij leien verplicht. Deze keuring moet door een onafhankelijk onderzoeksinstituut worden verricht. De op basis van deze keuring te verwachten levensduur van een natuurlei dient ten minste 80 jaar te zijn. Keuring moet geschieden volgens de richtlijnen van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (voormalig RACM), zoals beschreven in de brochure Restauratie en Beheer nr. 13 (oktober 1998).
- De oorspronkelijke wijze van dekken dient te worden gehandhaafd.
- Kunstleien of andere producten ter vervanging van natuurleien zijn niet toegestaan.
Aanwijzingen
- Indien er twijfel bestaat over de kwaliteit van bestaande leien, kan ook voor oude leien een keuring uitsluitsel bieden over de te verwachten levensduur.
6.4 Zink, koper en lood
Uitgangspunt
- Koper, lood en zink moeten bij restauraties op dezelfde wijze worden toegepast als in de bestaande situatie met gebruikmaking van traditionele bevestigingsmethoden.
Uitvoeringseisen
- Het toe te passen zink is minimaal Zink 16 (1,1 mm) en koper minimaal 0,8 mm. Lood moet volgens de richtlijnen van de SIBL worden aangebracht; op loden nokken moet minimaal 25 ponds lood worden toegepast.
- Een platte kraal mag niet worden vervangen door een ronde kraal.
- Zink mag niet worden gefelst maar moet worden gezet.
- Metaalwerk mag niet worden gelijmd.
- Bij het solderen van koper moet van koper of zilverhoudend tinsoldeer gebruik worden gemaakt.
- Bij vervanging van goten en hemelwaterafvoeren moet hetzelfde materiaal worden toegepast als aangetroffen is, met uitzondering van kunststof dat bij vervanging niet is toegestaan.
- Het dilateren van goten gebeurt bij voorkeur door middel van een broekstuk. Indien een broekstuk niet mogelijk is of wanneer een goot geen enkele monumentale waarde vertegenwoordigt, kan in overleg met BMA een expansiestuk toegepast worden.
Aanwijzingen
- Bij panden van vóór 1860 moeten bij vervanging vergaarbakken van het Amsterdamse of Haarlemse model worden toegepast, ook indien in de bestaande situatie een ander model wordt aangetroffen. Alleen als de aangetroffen vergaarbak aantoonbaar ouder dan 50 jaar is, mag een soortgelijk model worden toegepast.
- Bij panden van vóór 1900 moeten regenpijpen door middel van een stripbeugel worden bevestigd, waarbij de lengte van de oren gelijk moet zijn aan de diameter van de buis.
- In overleg met BMA kan zink eventueel door lood of koper worden vervangen.
- Ondanks het beschermende patina kunnen er zink-, koper- of loodionen in het regenwater te recht komen. Een oplossing is het coaten van het metaal, dit is echter van invloed op de uiterlijke verschijningsvorm en is daarmee voor onderdelen die in het zicht liggen een onwenselijke oplossing. Voor lood kan traditionele loodpatineerolie worden toegepast. Een andere oplossing is het aanbrengen van filters in het hemel water afvoersysteem. Overigens bevat de Nederlandse wetgeving geen bepalingen die het gebruik van zink, koper of lood verbieden. Het Stadsdeel kan op grond van de Wet milieubeheer nadere eisen stellen, dit geldt echter niet voor woonhuizen.
6.5 Voorzieningen in en op het dak
Uitgangspunt
- Nieuwe dakkapellen, daklichten en doorbraken zijn alleen toegestaan indien er geen monumentale onderdelen van de kap worden aangetast.
- Bestaande schoorstenen moeten worden gehandhaafd.
Uitvoeringseisen
- Voorzieningen in het dak mogen maximaal een derde van de lengterichting van het dakvlak beslaan, waarbij de som van voorzieningen in en op het dakvlak (dakkapellen, dakvensters etc.) niet meer dan een derde van de lengterichting van het dak beslaat.
- De voorzieningen moeten tussen de spanten worden aangebracht.
- Voorzieningen in het dak mogen niet boven vlieringniveau worden aangebracht. Indien een kap geen vliering heeft moet de voorziening, bij kappen tot 10 rijen pannen tussen de goot en de nok, minimaal 3 pannen uit de nok worden aangebracht. Bij kappen met 10 en 11 rijen pannen tussen de goot en nok, moet de voorziening minimaal 4 pannen uit de nok blijven. Bij kappen met 12 rijen pannen of meer, moet de voorziening minimaal 5 pannen uit de nok blijven.
- Bij daken tot 11 rijen pannen tussen de nok en de goot moet de voorziening minimaal één pan uit de goot blijven, bij 11 rijen pannen of meer moet de voorziening minimaal 2 pannen uit de goot blijven.
- De voorzieningen dienen bij voorkeur in de lengterichting midden in het dakvlak te worden aangebracht, waarbij de voorziening een kwart van de lengterichting uit de voor en achtergevel moet blijven.
- In of op wolfeinden zijn voorzieningen niet toegestaan.
- Loggia’s in daken zijn niet toegestaan.
- Dakterrassen op het hoofdvolume zijn niet toegestaan. Daarnaast mag een dakterras niet zichtbaar zijn vanaf openbaar gebied.
- Installaties mogen niet zichtbaar zijn vanaf openbaar gebied worden aangebracht.
- GSM-instalaties zijn op monumenten niet toegestaan.
Aanwijzingen
- Bestaande rookkanalen en schoorstenen kunnen vaak gebruik worden voor het wegwerken van moderne rookgasafvoeren, beluchtingskanalen etc. Een gemetselde schoorsteen verdient de voorkeur boven een andere schoorsteen.
- Afhankelijk van de situatie behoort bij een kap evenwijdig aan de straat een dakkapel in de goot wel tot de mogelijkheden.
Toelichting
- Het dak en het historische dakenlandschap zijn een onlosmakelijk onderdeel van het monument en het historische stadsbeeld. Dakopbouwen en andere voorziening in en op het dak kunnen de silhouet van het pand en het dakenlandschap verstoren. Het is daarom van belang dat de oorspronkelijke kapvorm wordt gehandhaafd en niet wordt verstoord door allerlei voorzieningen. Al is een voorziening niet zichtbaar vanaf openbaar gebied, kan deze wegens verstoring van de dakvorm en opzet van het gebouw, toch onwenselijk zijn.
7 Structuur
Uitgangspunt
-
De bestaande hoofdstructuur dient te worden gerespecteerd.
-
De ruimtelijkheid van een monumentaal vertrek kan een wezenlijk onderdeel zijn van de monumentaliteit. De open structuur van een monumentale ruimte dient te worden gerespecteerd en ervaarbaar gehouden.
Uitvoeringseisen
-
Lichthoven dienen als buitenruimtes te worden gehandhaafd en mogen niet worden overkapt en/of bij het pand worden geïntegreerd.
-
-
Lichthoven die in het verleden overkapt zijn moeten het karakter van buitenruimte behouden, tenzij dit karakter volledig verloren is gegaan.
Toelichting
- De oorspronkelijke opzet van een pand is een wezenlijk onderdeel van de monumentale waarden. Uit de structuur valt het historische opzet en gebruik van een pand af te lezen.
7.1 Kelders en souterrains
Uitgangspunt
-
De kelder of het souterrain moet een ondergeschikte verdieping blijven ten opzichte van de rest van het pand.
-
Het uitdiepen van kelders of souterrains is uitsluitend toegestaan wanneer het uitdiepen geen gevolgen heeft voor de aanwezige monumentale waarden.
-
Het aanbrengen of uitbreiden van een kelder is alleen mogelijk waneer de kelder aansluit bij de typologie van het pand en de morfologie van de omgeving. De kelder moet een toevoeging zijn zonder aantasting van de aanwezige monumentale waarden.
Uitvoeringseisen
-
De nieuwe, uit te bereiden of uit te diepen kelder of souterrain moet minimaal een 800 mm lagere vrije stahoogte hebben dan de hoofdverdieping met een minimum van 2100 mm en een maximum van 2400 mm. Wanneer de stahoogte van een uit te bereiden bestaande kelder of souterrain hoger is mag deze stahoogte aangehouden worden.
-
Met het aanbrengen of uitdiepen van de kelder mogen geen monumentale onderdelen verloren gaan, aangetast of ontmanteld worden.
-
De werkzaamheden ten behoeve van de kelder of souterrain moeten aantoonbaar een minimaal aanvaardbaar schaderisico voor het pand met zich meebrengen.
-
Samengestelde kelders op verschillende niveaus mogen niet zonder meer op één niveau gebracht worden. Waneer de niveauverschillen een wezenlijk onderdeel van de structuur van de afzonderlijke bouwdelen uitmaken zullen de niveauverschillen gehandhaafd moeten blijven.
-
Bij ontgraving moet de mogelijkheid voor archeologisch onderzoek geboden worden.
Aanwijzingen
-
Indien een monumentale vloer, of daarop geplaatste monumentale wanden, waterkelders etc. verwijderd, aangetast of ontmanteld moeten worden, moet van het aanbrengen van een nieuwe kelder worden afgezien. Wanneer de werkzaamheden voor een noodzakelijk funderingsherstel desondanks moeten plaats vinden, biedt dit alsnog de mogelijkheid voor het aanbrengen of uitbreiden van een kelder of souterrain.
Toelichting
-
De kelder of het souterrain moet een ondergeschikte verdieping blijven ten opzichte van de rest van het pand. Dit geldt niet alleen ten opzichte van de hoofdverdieping maar ook ten opzichte van de overige verdiepingen. Omwille van deze ondergeschiktheid en mede gezien de aanlegdiepte van de gemiddelde bestaande fundering is als maximale vrije stahoogte 2400 mm aangehouden en niet 2600 mm zoals aangegeven in artikel 4.28 van het Bouwbesluit 2003.
7.2 Plattegrond
Uitgangspunt
- De structuur van het pand moet afleesbaar blijven waarbij structurerende elementen moeten worden gehandhaafd.
Uitvoeringseisen
- Rookkanalen zijn belangrijke structureerde elementen waaruit de oorspronkelijke indeling kan worden afgeleid en moeten daarom worden gehandhaafd.
- En-suite scheidingen dienen te worden gehandhaafd.
- Hoofdverkeersstructuren zoals gangen moeten blijven bestaan en mogen niet bij gebruiksruimtes worden gevoegd.
- Vides in verdiepingscheidende vloeren zijn niet toegestaan.
Aanwijzingen
- Incidenteel zijn bescheiden doorbraken in wanden die een onderdeel zijn van de monumentale hoofdstructuur mogelijk. Afhankelijk van de aard en situering van de doorbraak moet hierbij gedacht worden aan een enkele deur tot maximaal de omvang van een dubbele deur.
7.3 Trappen
Uitgangspunt
- Trappen zijn zeer bepalende structuurelementen. De bestaande verkeersstructuur met trappen dient te worden gehandhaafd tenzij deze niet aansluiten bij de oorspronkelijke opzet of een monumentaal waardevol geachte verbouwing.
Uitvoeringseisen
- Bij traditioneel opgezette woningen met een verkeerzijde en een rookkanaalzijde zijn trappen aan de rookkanaalzijde in beginsel niet toegestaan.
- Een tussenlid tussen een voor- en een achterhuis met daarin een trappenhuis moet in die vorm worden gehandhaafd.
- De afzonderlijke verkeerstructuur van panden moet worden gehandhaafd; wat betekent dat bij samenvoeging de afzonderlijke trappenhuizen moeten worden gehandhaafd.
- Toegevoegde trappen of trappenhuizen moeten zijn ingegeven vanuit een functionele noodzaak omwille van het hedendaagse gebruik en mogen geen waardevolle structuren of onderdelen doorbreken.
- Trappen die een monumentale waarde vertegenwoordigen moeten op de bestaande plek worden gehandhaafd.
Aanwijzingen
- Afhankelijk van de monumentale waarden is incidenteel een raveling in een historische balklaag mogelijk, mits de ingreep onoverkomelijk is. Wanneer een trap bijvoorbeeld in een bestaande raveling of tussen de balken kan worden aangebracht zal van de ingreep moeten worden afgezien. Bij houtconstructies met een hoge monumentale en uniciteitswaarde zijn extra ravelingen niet mogelijk.
7.4 Liften
Uitgangspunt
- Liften zijn in beginsel niet toegestaan tenzij er geen monumentale waarden in het geding zijn.
Uitvoeringseisen
- Een liftopbouw is niet toegestaan.
Toelichting
- Een lift is per definitie een structuuraantasting. Er wordt naast de bestaande verkeersstructuur een nieuw stijgpunt aangebracht waarvoor veelal ingrepen moeten worden gedaan. Een lift is derhalve alleen mogelijk als er geen monumentale onderdelen direct of indirect als gevolg van de plaatsing van een lift worden doorsneden.
8 Interieurs
Uitgangspunt
- Historisch waardevolle interieurs dienen gehandhaafd te blijven en mogen niet worden aangepast ten behoeve van nieuwe gebruikseisen en/of huidige regelgeving.
- In beginsel dienen historische kleurafwerkingen gehandhaafd te worden. Hierbij is de samenhang met andere stijlelementen van belang. De kleurkeuze moet aansluiten bij de stijlkenmerken van het interieur. Voor een verantwoorde interieurrestauratie is professioneel kleuronderzoek onontbeerlijk.
Uitvoeringseisen
- Het aanbrengen van dampdichte afwerklagen op historische binnenwanden is niet toegestaan.
- Plavuizen vloeren die in schelpen zijn gelegd moeten mogen niet worden gelijmd maar moeten opnieuw in schelpen worden geplaatst.
- Historische tegels moeten op een traditionele manier (zonder voeg) worden bevestigd en niet met moderne tegellijm.
- Gescheurde terrazzovloeren dienen te worden hersteld waarbij de materiaalsamenstelling, de aard en omvang van de schade de reparatiemethode bepalen. Pas waneer een vloer onherstelbaar is beschadigd mag tot vervanging worden overgegaan.
Toelichting
- Oude dikke muren in een historisch vertrek hebben vaak een bufferfunctie wat betreft het opnemen van vocht. Het verloren gaan van deze bufferfunctie kan een verhoogd risico opleveren voor de vensters. Ook zal bij een damp-open afwerking de kans op schimmels sterk worden verminderd.
8.1 Brandvoorschriften
Uitgangspunt
- Om tegemoet te komen aan de eisen van brandwerendheid moet, in overleg met het Bouw- en Woningtoezicht, de Brandweer en BMA, gezocht worden naar oplossingen waarbij geen monumentale onderdelen worden aangetast.
Uitvoeringseisen
- Brandwerende voorzieningen moeten reversibel worden uitgevoerd.
- Historische deuren mogen niet worden vervangen door brandwerende deuren. (Soms kan een bij brand opschuimende strip in de sponning voldoende blijken.)
- Monumentale trappen mogen niet worden bekleed met brandwerende materialen tenzij er geen monumentale waarden in het geding zijn.
- Gietijzeren en stalen onderdelen mogen alleen met brandwerende verf worden behandeld, als daarmee de expressie van aanwezige detaillering niet verloren gaat.
Aanwijzingen
- Verlichte vluchtroute en nooduitgangaanduiding zijn alleen mogelijk wanneer de stroomvoorziening geen aantasting vormt van historische interieurs. Wanneer het aanleggen van een noodstroomvoorziening negatieve gevolgen heeft voor het monumentale interieur zal bijvoorbeeld van fluoriderende bordjes gebruik moeten worden gemaakt.
- Wanneer vlucht of veiligheidsvoorzieningen nadelige gevolgen hebben voor het monument moet in beginsel eerst gestreefd worden naar gelijkwaardige oplossingen.
8.2 Installaties
Uitvoeringseisen
- De installaties moeten zodanig zijn aangebracht dat geen schade wordt toegebracht aan historisch waardevolle interieurs of constructieve elementen.
- De installaties moeten zodanig zijn gesitueerd dat de visuele gaafheid van het interieur niet wordt aangetast.
9 Energiebesparende maatregelen
Uitgangspunt
- De aanwezige monumentale waarden zijn samen met de technische en fysische condities van het monument bepalend voor de mogelijk te nemen energiebesparende maatregelen. Indien een maatregel of voorziening de monumentaliteit aantast of de technische conditie van het monument ondermijnt zal van de maatregel of voorziening moeten worden afgezien of met een minder niveau genoegen worden genomen.
Uitvoeringseisen
- Middels een fysische berekening zal moeten worden aangetoond dat het pakket van maatregelen verenigbaar is met het monument.
Aanwijzingen
- Het is van belang is dat de te nemen maatregelen op elkaar zijn afgestemd. Er zijn maatregelen denkbaar waarvan het doorvoeren in wezen vanuit monumentaal oogpunt niet bezwaarlijk zou zijn, maar die in combinatie de thermische of fysische balans verstoren.
- Naast de reguliere isolerende beglazing en isolatiematerialen zijn er diverse producten in de handel met redelijke of goede isolerende eigenschappen die, bijvoorbeeld door een geringere dikte, een oplossing zouden kunnen bieden voor problemen die zich voordoen bij het na-isoleren van monumenten. De materiaal- en systeemkeuze kan mede bepalend zijn voor de mogelijkheden en de energiebesparende resultaten.
Toelichting
- De wens tot het isoleren van monumenten leidt vaak tot problemen. Aangezien monumentale gebouwen thermisch lek zijn zullen koudebruggen, bijvoorbeeld bij vloeren en stabiliteitswanden, onvermijdelijk zijn. Hierdoor kan inwendige condensatie optreden vaak juist bij balkopleggingen en gevelankers wat tot ernstige schade leidt.
9.1 Ramen
Uitgangspunt
- Isolerende beglazing is niet toegestaan, tenzij er geen monumentale waarden in het geding zijn.
Uitvoeringseisen
- Indien de afmeting van het bestaand raamhout voldoende is om het verantwoord aan te brengen is isolerende beglazing mogelijk.
- Indien de zwaarte van het raamhout niet toereikend is kan tot aanpassing of vervanging worden overgegaan als de bestaande ramen geen monumentale waarden vertegenwoordigen en/of in die mate in slechte technische staat verkeren dat ze niet zijn te handhaven.
- Indien isolerende beglazing niet inpasbaar is, zal voor een ander oplossing, zoals een achterzetconstructie gekozen moeten worden.
- Indien een bestaand raam geen monumentale waarden vertegenwoordigt zal het nieuwe raam in detaillering en materialisering moeten aansluiten bij het monument.
- Indien een raam wel monumentale waarden vertegenwoordigt maar, onherstelbaar aangetast is, kan isolerende beglazing worden toegepast, mits het uiterlijk en de detaillering van het bestaande raam verenigbaar zijn met isolerende beglazing. Hierbij moet het aanzicht, de dagmaten, negge, zwaarte, en detaillering vanaf de buitenzijde ongewijzigd blijven, tenzij het interieur belangrijke monumentale waarden vertegenwoordigt, dan zal ook aan de binnenzijde het uiterlijk ongewijzigd moeten blijven.
- Het bestaande raamsysteem moet gehandhaafd worden. Draai-kiepramen zijn in beginsel niet toegestaan.
- De bestaande kozijnen mogen niet ingrijpend worden aangepast of vervangen ten behoeve van tochtdichtingsvoorzieningen of geleidingssystemen.
- Schijnroeden of roedeverzwaringen zijn niet toegestaan.
- Oud glas en glas-in-lood ramen moeten worden gehandhaafd. Glas-in-loodramen mogen niet in de luchtspouw van dubbel glas worden aangebracht.
- Bij het toepassen van dubbele beglazing dienen de afstandsprofielen te worden uitgevoerd in kleur of met een zwarte rubberkern in plaats van metaal.
- Indien een raam wel monumentale waarden vertegenwoordigt en niet om technische redenen vervangen hoeft te worden en/of de detaillering niet verenigbaar is met isolerende beglazing zal er voor een achterzetraam gekozen moeten worden.
- Met een achterzetraam wordt een raam aan de binnenzijde bedoeld. Isolerende voorzieningen aan de buitenzijde zijn niet toegestaan.
- Indien een interieur belangrijke monumentale waarden vertegenwoordigt, is een achterzetraam in beginsel niet toegestaan.
- Een achterzetraam mag onderdeel uitmaken van een volledige achterzetwand (zie §9.2 Gevels)
- De detaillering en de onderverdeling van het achterzetraam mag niet detoneren met het monumentale raam.
- De ruimte tussen het raam en het achterzetraam dient met buitenlucht geventileerd te worden, op een zodanige wijze dat de monumentale onderdelen niet materiaaltechnisch of visueel worden aangetast.
- Bij het toepassen van isolerende beglazing is een monumentenvergunning vereist
Aanwijzingen
- Onder isolerende beglazing wordt zowel dubbel glas als gelaagd glas met isolerende eigenschappen verstaan.
- Getrokken glas heeft de voorkeur ten opzichte van floatglas.
- Indien het raam omwille van het aanbrengen van isolerende beglazing aangepast mag worden, kan voor een binnenbeglazingssysteem worden gekozen. Buitenbeglazing geplaatst in de stopverf geniet de voorkeur.
- Het aanbrengen van isolerende beglazing heeft geen effect zonder een verbetering van de kierdichting. De aanwezige monumentale waarden kunnen er toe leiden dat geen voorzieningen mogelijk zijn.
9.2 Gevels
Uitvoeringseisen
- Het aanbrengen van isolatiemateriaal mag geen fysische veranderingen tot gevolg hebben die schade aan het monument toebrengen.
- De isolatie van de wanden moet afgestemd zijn op het totale pakket van isolatievoorzieningen. Een in verhouding tot de overige isolatievoorzieningen relatief dik isolatiepakket kan tot schade leiden.
- Voorzetwanden en binnenisolatiesystemen mogen niet worden toegepast als monumentale interieuronderdelen worden aangetast of aan het zicht ontrokken, zoals lambriseringen, wandbespanningen, monumentale plafonds en plafondlijsten.
- Buiten isolatiesystemen zijn niet toegestaan.
- Indien strijkbalken en strijkspanten dermate dicht op de gevel liggen ( > 25 mm) dat er niet afdoende isolatiemateriaal tussen het constructieonderdeel en de buitenwand kan worden aangebracht, of monumentale plafonds verhinderen dat de isolatievoorziening kan worden doorgezet moet van de isolerende maatregel worden afgezien. Een strijkspant of strijkbalk mag in beginsel niet verplaatst worden, tenzij de gevolgen voor de monumentale waarden beperkt zijn. Indien er sprake is van een houtskelet, moer en kinderbint- constructie, of anderzijds bijzondere historische constructies is het verplaatsen van onderdelen uitgesloten.
- Een strijkbalk of strijkspant mag niet aan de “koude” zijde van de isolatie komen.
- Bij het toepassen van binnenisolatie moet ter voorkoming van inwendige condensatie aan de “warme” zijde een dampremmende folie worden aangebracht.
Toelichting
- De wens tot het isoleren van buitenmuren leidt vaak tot problemen. Aangezien monumentale gebouwen thermisch lek zijn zullen koudebruggen, bijvoorbeeld bij vloeren en stabiliteitswanden, onvermijdelijk zijn. Hierdoor kan inwendige condensatie optreden, vaak juist bij balkopleggingen en gevelankers hetgeen tot ernstige schade leidt.
9.3 Daken
Uitvoeringseisen
- Isolatie aan de buitenzijde van het dakbeschot is alleen toegestaan als de daklijn niet gelijk komt met of hoger komt dan de gevellijn van de voor of achtergevel en de resterende gootbreedte minimaal 15 cm bedraagt. Indien mogelijk is, in overleg met BMA, het ophogen van de goot toegestaan.
- Indien een warm dak niet mogelijk is, kan aan de binnenzijde isolatie worden aangebracht, waarbij een goede ventilatie met buitenlucht tussen de isolatie en het dakbeschot moet worden gewaarborgd.
- Aan de warme zijde van het isolatiemateriaal moet dampremmende folie worden aangebracht. Afdichtingsmiddelen als kit en PUR-schuim zijn niet toegestaan. Historische kappen dienen voldoende geventileerd te worden.
Aanwijzingen
- Een warm-dak constructie heeft de voorkeur boven een koud-dak constructie.
9.4 Vloeren
Uitvoeringseisen
- Bij monumentale interieurs, waarvan de ruimte een eenheid vormt, is een verlaagd plafond niet toegestaan.
- Voor het aanbrengen van isolerende voorzieningen mogen geen monumentale onderdelen, zoals vloeren of plafonds, verwijderd of ontmanteld worden.
- Verlaagde plafonds moeten zodanig zijn aangebracht dat de bevestigingsmiddelen eventuele monumentale onderdelen niet aantasten en installaties , zoals elektrische leidingen, niet door monumentale onderdelen, bijvoorbeeld balken, worden doorgevoerd.
- Verhoogde of zwevende vloeren mogen niet leiden tot het inkorten van monumentale deuren.
- Verhoogde en zwevende vloeren mogen niet leiden tot het aanpassen of verplaatsen van monumentale trappen.
- Monumentale onderdelen, zoals lambriseringen of plinten die onderdeel zijn van het interieur, mogen niet geheel of gedeeltelijk door verhoogde vloeren aan het zicht ontrokken worden.
9.5 Ventilatie
Uitvoeringseisen
- Bij mechanische of balansventilatie moeten de installaties zodanig zijn aangebracht dat geen schade wordt toegebracht aan historisch waardevolle interieurs of constructieve elementen.
- De installaties moeten zodanig zijn gesitueerd dat de visuele gaafheid van het interieur niet wordt aangetast.
- Ventilatieroosters of suskasten zijn niet toegestaan. Indien het vervangen van de ramen is toegestaan mag een verholen ventilatievoorziening worden aangebracht.
- Muurventilatieroosters of muursuskasten zijn niet toegestaan.
- Indien er geen monumentale waarden in het geding zijn, kunnen ventilatievoorzieningen in de achtergevel aangebracht worden. De ventilatie dient bij voorkeur via voorzieningen op het dak te worden geregeld, maar wel op een wijze dat de monumentale waarden van de interieurs niet worden aangetast.
Aanwijzingen
- Indien een monument wordt nageïsoleerd, moet grote zorg besteed worden aan de ventilatie. Zonder een deugdelijke ventilatie kan het nageïsoleerde monument grote schade ondervinden door te hoge vochtconcentraties in het pand. De voorzieningen mogen echter geen monumentale onderdelen aantasten of ontsierend werken.
9.6 Zonne-energie
Uitgangspunt
- Zonnepanelen zijn onder strikte voorwaarde toepasbaar op hellende en platte daken.
Uitvoeringseisen
- Bij daken die zijn gedekt met leien, koper, losanges of een zeldzame dakbedekking zijn collectoren niet toegestaan.
- Indien een dak een prominent onderdeel is van de architectuur of het monumentale voorkomen van een monument zijn voorzieningen om zonne-energie op te vangen niet toegestaan.
- Voor de maximale omvang en positie in het dak zie §6.5 voorzieningen in en op het dak.
- Zonnecollectoren mogen niet in een hoek ten opzichte van het dakvlak worden aangebracht.
- Zonnecollectoren mogen niet zichtbaar zijn vanaf openbaar gebied.
- Warmtenokken e.d. zijn niet toegestaan.
- De pannen mogen niet verwijderd worden.
10 Aanvullende uitvoeringseisen
- Indien tijdens de uitvoering van vergunde werkzaamheden historische onderdelen te voorschijn komen waarvan het bestaan voordien niet bekend was, is de vergunninghouder verplicht dit te melden bij BMA. Indien noodzakelijk kan BMA in overleg met het Stadsdeel Centrum een gewijzigd bouwplan eisen in navolging van de verleende vergunning.
- De uitvoerenden moeten medewerkers van BMA de mogelijkheid bieden tijdens de werkzaamheden onderzoek uit te voeren.
- Historisch waardevolle elementen moeten tijdens restauratie- en verbouwingswerkzaamheden afdoende beschermd worden tegen beschadigingen.
- Een monument moet tijdens de uitvoering van de werkzaamheden te allen tijde afdoende tegen weersinvloeden beschermd zijn.
- Onderdelen die hergebruikt zullen worden, maar voor de uitvoering van de werkzaamheden tijdelijk worden gedemonteerd, moeten droog, geventileerd en beschermd tegen mogelijke beschadigingen worden opgeslagen.
- Stut- en stempelconstructies moeten zodanig worden aangebracht dat zij geen schade kunnen veroorzaken aan historisch waardevolle elementen.
- Steigers moeten zodanig geplaatst en bevestigd worden, dat de schade aan de gevel tot een minimum beperkt blijft. Verankeringselementen moeten bij demontage worden verwijderd en de ontstane gaten moeten gevuld worden met daartoe geëigende, bij het monument passende materialen. Steigers mogen niet aan geveltoppen worden “gehangen”.
- Veiligheidsvoorzieningen voor inspectie zijn in beginsel toegestaan mits de aan te brengen voorzieningen geen monumentale onderdelen aantasten en zij niet prominent aanwezig zijn. Veiligheidsvoorzieningen voor onderhoud zijn alleen toegestaan indien de bereikbaarheid met bijvoorbeeld hoogwerkers niet redelijkerwijs mogelijk is en de noodzaak van regulier onderhoud aanwezig is.
- Vrijkomend historisch bouwmateriaal moet worden aangeboden aan de Monumentenwerf Amsterdam.