Gezien de omvang van het gebied, werd het onderzoek verdeeld in drie deelgebieden:
Stadsdeel Amsterdam-Noord gaf BMA opdracht om een Cultuurhistorische Effectrapportage (een CHER) te maken over het gebied dat tussen de Sixhaven en de Noorder IJ-plas aan het IJ ligt. Daar staan namelijk voor de komende jaren grote veranderingen en bouwprojecten op stapel die in grote lijnen zijn beschreven in het Masterplan Noordelijke IJ-oever.
Het doel van een CHER is om in een zo vroeg mogelijk stadium inzicht te bieden in de historische waarden van een gebied, zodat waardevolle elementen een plek kunnen krijgen in de plannen die voor toekomstige ontwikkelingen van dat gebied gemaakt worden. De CHER Noordelijke IJ-oever bevat daarom de inventarisaties, waarderingen en aanbevelingen met betrekking tot de historische kwaliteiten van het plangebied Noordelijke IJ-oever. Dat gebied betreft de laatste strook langs het IJ waar het twintigste-eeuwse deel van de eeuwenoude Amsterdamse scheepvaartgeschiedenis nog duidelijk herkenbaar is. Het gebied heeft nog een sterk industrieel karakter, maar met name de twintigste-eeuwse industriële geschiedenis verdwijnt er de laatste jaren in hoog tempo. Iets dat overigens niet alleen in Amsterdam speelt, maar ook in de rest van Nederland en daarbuiten. Juist het verdwijnen van kostbaar twintigste-eeuws industrieel erfgoed maakt dat het niet alleen van groot belang, maar zeker ook een bijzondere uitdaging is om zorgvuldig om te gaan met dit historische, industriële karakter van de Noordelijke IJ-oever. En dat dat mogelijk is, mag blijken uit het feit dat dit erfgoed zich goed leent voor bijzonder hergebruik, zoals bijvoorbeeld te zien is op het voormalige Storkterrein op Oostenburg.
Gezien de omvang van het gebied, werd het onderzoek verdeeld in drie deelgebieden: de Volewijk, de Buiksloterhampolder (met daarbinnen het Shellterrein, de Buiksloterham Centraal en de Papaverhoek) en de Noorder IJ-polder (met daarbinnen de NDSM-werf oost, Shipdock, het Cornelis Douwesterrein en de Noorder IJ-plas).
Op basis van het onderzoek zijn conclusies en aanbevelingen gedaan, en werden drie cultuurhistorische kerngebieden aangewezen: de Volewijk, de zuidoostelijke kern van het Shellterrein en de NDSM-werf oost. In deze drie kerngebieden is sprake van een sterke samenhang tussen de historische ontwikkeling, de stedenbouwkundige structuur, het ruimtelijke karakter én de bebouwing. BMA dringt er voor deze gebieden op aan om de cultuurhistorische waarden ervan te behouden.
Op 3 maart 2004 is het Dagelijks Bestuur van Amsterdam-Noord akkoord gegaan met de aanbevelingen die BMA in de CHER over de Noordelijke IJ-oever deed. Voor een aantal gebouwen in het gebied zal door Stadsdeel Amsterdam-Noord een verzoek gedaan worden om ze op de rijks- of gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.
Omdat Stadsdeel Amsterdam-Noord akkoord is gegaan met de aanbevelingen van de CHER is de kans groot dat de inhoud ervan beleidsmakers, projectontwikkelaars, stedenbouwkundigen en (landschaps)architecten enthousiast zal maken om de cultuurhistorische waarden van het gebied als uitgangspunt en inspiratiebron te hanteren voor de planontwikkeling. Om zo de bijzondere karakteristieken die zich in de loop van de eeuwen aan de IJ-oever gevormd hebben en het gebied kleur en betekenis geven, te behouden voor de toekomstige generaties.
De CHER Noordelijke IJ-oever verscheen in augustus 2003.
U kunt de CHER downloaden:
De Noordelijke IJ-oever - Een cultuurhistorische effectrapportage(pas op: 37 MB!)