Het Theater Tuschinski was vóór de oorlog de meest spraakmakende bioscoop van Nederland.
Het werd in 1921 geopend door de bioscoopmagnaat Abraham Tuschinski die hier alle registers opentrok van de zogenaamde Tuschinski-stijl, die in alle door hem gestichte bioscopen herkenbaar was. In 2000-2002 is het gebouw gerestaureerd en teruggebracht naar de situatie van 1921-1936, de periode dat Abraham Tuschinski er de scepter zwaaide. Tegenwoordig vormt het theater onderdeel van het Pathé-concern, dat aansluitend aan de Vijzelstraat een nieuwe bioscoop heeft gebouwd, Pathé de Munt. Het complex bevat na de heropening van het oude Tuschinski in totaal 19 zalen en ruim 4000 stoelen.
Abraham Icek Tuschinski (1886-1942) was een joodse vestenmaker die in 1904 uit Polen naar Rotterdam was gekomen met de bedoeling om vanaf hier naar Amerika over te steken. Hij bleef echter in Rotterdam, waar hij een eenvoudig logement voor Poolse emigranten begon, en vervolgens in 1911 een bioscooptheater.Twintig jaar later bezat hij acht bioscopen, waarvan de meeste in Rotterdam en één in Amsterdam, het Theater Tuschinski. Tussen de beide wereldoorlogen was hij de beroemdste bioscoopmagnaat van Nederland. Tuschinski drukte een sterk persoonlijk stempel op wat hij liet bouwen en inrichten, waardoor men met recht van een Tuschinksi-stijl kon spreken, synoniem voor flamboyant, weelderig, extravagant en ambitieus want, naar eigen zeggen, hij streefde altijd naar “het grootste van het grootste”.
Toen Tuschinksi al enkele bioscopen in Rotterdam had geopend, besloot hij in 1916 de sprong naar Amsterdam te wagen. Hij begreep dat hij hier met iets bijzonders moest aankomen, want, zoals hij later in het blad Tuschinski Nieuws uit de doeken deed: “Amsterdam heeft vele theaters, maar als ik er een bouw, dan moet het alle andere ver overtreffen [….. ] grootsch als een tempel en fraai als een paleis, een theater dat zijn weerga in Europa nog niet heeft, en zelfs het verwende Amsterdamsche publiek paf doet staan van bewondering”.
Het viel niet mee droom werkelijkheid te laten worden. Tuschinski liet zijn oog vallen op een stuk grond in de zogenaamde Duvelshoek tussen de Munt en het Rembrandtplein, dat toen uitgroeide tot het uitgaanscentrum van Amsterdam. Om het terrein in handen te krijgen moest hij met zo’n twintig verschillende huiseigenaren tot overeenstemming komen. Daarna moesten er nog drie makelaars aan te pas komen voordat de laatste bewoner bereid was gevonden te vertrekken. Het terrein was begin 1919 eindelijk bouwrijp. Tuschinski had toen al ruim 600.000 gulden geïnvesteerd. In de roerige jaren na de Eerste Wereldoorlog was het soms moeilijk aan bouwmaterialen te komen. Zo mochten de 1200 heipalen die Tuschinski in Duitsland had besteld het land niet uit. Daarop reisde de doortastende bioscoopondernemer zelf naar Düsseldorf af om ter plekke erop toe te zien dat de palen in een boot werden geladen waar overheen de Nederlandse vlag werd gelegd om ze de grens over te krijgen. Tijdens de bouwwerkzaamheden kreeg Tuschinski, die zich overal tot in de details mee bemoeide, hoog lopende ruzies met de architect van het gebouw, Heyman Louis de Jong (1882-1945), die zelfs tot een proces leidden. De bouw werd daarop voltooid onder leiding van ingenieur D.C. Klaphaak. Voor de inrichting en de aankleding van het interieur werd een groot aantal (sier)kunstenaars aangetrokken, onder wie Chris Bartels, Willem Kromhout, Pieter den Besten, Jaap Gidding en Dirk Jan van der Laan.
Op 28 oktober 1921 vond dan eindelijk de opening van het nieuwe theater plaats waarvoor ruim 1500 uitnodigingen waren verstuurd. Net op tijd was toen ook het theaterorgel geïnstalleerd, een Würlitzer dat Tuschinski in Brussel voor 50.000 gulden op de kop had kunnen tikken. Het 850 orgelpijpen tellende instrument werd het wonderorgel genoemd omdat het alle mogelijke geluiden kon imiteren, van arresleebellen en vogelgeluiden tot en met de menselijke stem, hoewel een kritisch luisteraar er eerder een kruising tussen een misthoorn en een bromvlieg in hoorde. De totale kosten bedroegen uiteindelijk het destijds astronomische bedrag van circa vier miljoen gulden.
Ook na de opening werd in het gebouw verder gewerkt. Eigenlijk was het theater onder het bewind van Tuschinski nooit af. De trendgevoelige bioscoopmagnaat liet het interieur voortdurend veranderen. De vernieuwingsdrang kwam in de aanloop tot het tienjarig jubileum van het theater in 1931 tot een climax. Vele in het oogspringende elementen in het huidige interieur dateren uit die tijd.
Tuschinski was toen op het toppunt van zijn succes. Enkele jaren later kwam de ommekeer en ging Tuschinski zijn ondergang tegemoet, zowel op zakelijk als persoonlijk vlak. In 1936 werd Tuschinski failliet verklaard. De zakelijke leiding ging in andere handen over. Hij bleef nog wel de directeur, maar nu in dienstverband. In 1939 overleed zijn enige zoon op 33–jarige leeftijd. Tijdens het bombardement op Rotterdam van 14 mei 1940 werden al zijn Rotterdamse bioscopen verwoest. Kort na de capitulatie werd Tuschinski op 22 mei 1940, als ambteloos burger de laan uit gestuurd en veranderde de naam van het Amsterdamse Tuschinski Theater in Tivoli. Op 17 september 1942 kwam Tuschinski in Auschwitz aan zijn einde. In de ingangshal van het theater werd in 1949 een herdenkingsplaquette onthuld voor de grondlegger als ook voor zijn eveneens in de oorlog vermoorde compagnons Ehrlich en Gerschtanowitz.
Het Tuschinski theater werd gebouwd in een extravagante stijl die het midden hield tussen Jugendstil, Art Deco en het expressionisme van de Amsterdamse school. De hoog oprijzende gevel aan de Regulierbreestraat werd bekleed met geglazuurde tegels, keramieksculpturen (afkomstig uit de Plateelaardewerkfabriek Delft) en smeedijzeren decoraties en lampen.
De ambitie van Tuschinski een filmkathedraal te bouwen, kreeg gestalte in de twee torenfaçades, die het theater inderdaad enigszins op een kathedraal doet lijken. Ook het glas-in-lood van de vensters in de erkers, en de vele reliëfs (ontworpen door Chris Bartels) droegen aan deze indruk bij.
De reacties op de architectuur waren niet altijd lovend. Het Bouwkundig Weekblad sprak zelfs van “stadsverminking” en vond de torens lijken op een projectiel met “dofvergulde ornamenten, die nog weer een eind boven de torens zelf uitsteken en waaraan allerlei rommel opgehangen is”.
Het gebouw is onderverdeeld in een rechthoekige voorbouw waarin de ingangshal met daarboven een variétézaal, Le Gaîté, is opgenomen; een tussengedeelte met garderobe, toiletten, trappen en overloop; de grote zaal en aan de zijde van de Reguliersdwarsstraat een toneelgebouw. Het gebouw werd gedragen door een betonskelet, maar daarvan was niet veel te merken in het interieur waar alles schuilging achter tropische houtsoorten, marmer, wandbespanningen, fijn geslepen glas, brons en koper.
De ontvangsthal, grotendeels ontworpen door Jaap Gidding, straalde een vorstelijke allure uit, die de bezoeker direct uit de sfeer van alledag wegvoerde naar een sprookjeswereld vol klatergoud. Op de vloer lag een dik tapijt met sprankelende warme kleuren, vervaardigd door de Koninklijke Vereenigde Tapijtfabrieken in Deventer. De gekroonde adelaar die in het tapijt werd verwerkt, was een verwijzing naar Tuschinski’s geboorteland Polen. Een regelmatig terugkerend motief op de al even kleurige wandschilderingen is dat van in art-decostijl gestileerde pauwen. De lambriseringen en afwerkingen waren van marmerplaten en tropische houtsoorten. In de rand van de plafondkoepel waren verschillende kleurenlampjes aangebracht die beurtelings oplichtten. Op de eerste verdieping boven de ontvangsthal bevond zich een dancing annex variété- en cabaretzaal, La Gaîté (nu filmzaal 2), die door Pieter den Besten in een vergelijkbare stijl was ingericht. Ook hier was een ondiepe koepel met verschillende kleurenlampen. Tegen de muur bevond zich een bronzen fontein met vissenkop. 

De grote zaal, met een capaciteit van 1600 zitplaatsen, is in bewuste wedijver gebouwd met gerenommeerde theater-en schouwburgzalen. Ook hier zijn zijbalkons, loges, toneellijst en orkestbak aanwezig. Tuschinski wou van de film een volwaardige amusementsvorm maken, net zo respectabel als de traditionele kunstvormen als muziek en toneel. Geen van de theaters en schouwburgen in Amsterdam kon echter bogen op een spectaculaire hangconstructie van de balkons als in het Tuschinski Theater. Hoewel de balkons zeven meter de zaal insteken zijn gezichtsbelemmerende zuilen en pijlers achterwege gebleven. De dragende balken rusten op kolommen in de scheidingswand tussen zaal en foyers, en worden over de wandelgangen heen verlengd tot aan de zijgevel en andere draagmuren. Pièce de résistance in de grote zaal was de reusachtige stalen spinlamp, ontworpen door Chris Bartels. Ze werd omgeven door sjabloonschilderingen met pauwenmotieven, vermoedelijk van de hand van Willem Kromhout. Pieter den Besten schilderde in 1931 langs de bovenrand van de wanden achttien, meer dan levensgrote vrouwenfiguren die tijdens de recente restauratie weer aan het licht zijn gekomen.
Voor het toneel bevond zich de orkestbak. Het Tuschinski Theater-orkest o.l.v. Max Tak stond tijdens het interbellum bekend als het beste theaterorkest van Nederland. Met de komst van de geluidsfilm zijn de theaterorkesten geleidelijk verdwenen. In Tuschinski werden echter nog tot 1969 filmvoorstellingen door levende muziek begeleid.
Op 10 mei 1929 werd in Tuschinski de eerste geluidsfilm getoond, The Broadway Melody, waarvan Tuschinski de Europese primeur had. De komst van de geluidsfilm noopte tot enkele wijzigingen ter bevordering van de akoestiek. Daartoe werd onder andere de lambrisering hoger opgetrokken.
Aan de wandelgang rondom de zaal bevonden zich de zogenaamde Moorse en Japanse kamer, respectievelijk een intieme zithoek en een garderobe. Een paneel met een voorstelling van een geisha die door bedienden gekleed wordt, verwijst naar de oorspronkelijke functie van de Japanse zaal. Via de wandelgang kon men naar de toiletgelegenheden in het souterrain afdalen waar zich tevens een kinderopvangruimte bevond.
Toen Tuschinski de zakelijke leiding uit handen had moeten geven, onderging het theater gaandeweg een versobering. In de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog was zelfs sprake van onttakeling en zijn vele kostbare inventarisstukken uit het theater ontvreemd. De nevenruimten die verschillende vormen van amusement hadden geboden werden in de jaren zeventig tot kleine filmzalen omgebouwd.
Aansluitend op de opening van het nieuwe Pathé de Munt onderging Tuschinski in 2000-2002 een grondige opknapbeurt door Rappange & Partners. Men herstelde zowel de gevel als het interieur. De leidende gedachte achter de restauratie was het theater niet tot de oorspronkelijke toestand van 1921 terug te brengen, maar ook de door Tuschinski zelf aangebrachte veranderingen te respecteren. De restauratie ging dus feitelijk terug tot de situatie van 1936, het moment dat Tuschinski de zeggenschap uit handen werd genomen.
De entreehal is vooral schoongemaakt. Hier zijn de oorspronkelijke kleurschakeringen weer aan het licht gekomen die onder een dikke nicotinelaag verborgen gingen. Het huidige handgeknoopte tapijt is het vierde exemplaar op rij en werd in 1984 vervaardigd door tapijtweefsters in Marrakech.
De grootste ontdekking was dat in de zaal de verloren gewaande schilderingen van achttien tot het plafond reikende vrouwenfiguren weer aan het licht kwamen.
Van de grote ‘spinnenweblamp’ uit 1921 in de zaal zijn de latere perspex-aanvullingen weer vervangen door plaatjes getint glas. De sjabloonschilderingen met pauwenmotieven daaromheen van de hand van Willem Kromhout werden schoongemaakt en deels gereconstrueerd. Het eerste balkon werd ingericht als een luxe business-club. De capaciteit van de grote zaal is hierdoor teruggebracht tot 850 zitplaatsen.