Het voormalig stationspostkantoor op het Oosterdokseiland, een fraai voorbeeld van de late fase van het ‘modernisme’, is in 2010 gesloopt. Het postvervoer per trein behoort tot het verleden, en het ensemble bleek moeilijk in te passen in de zuidelijke IJ-oeverplannen en werd te moeilijk bevonden om het her te bestemmen. Het gebouw is een aantal jaren in gebruik geweest bij creatieve bedrijven en het Stedelijk Museum.
Voorgeschiedenis
Het stationspostkantoor was feitelijk het derde op rij. Aanvankelijk werd het postverkeer in het Centraal Station zelf afgehandeld. In verband met de groei van het postverkeer maakte Jos Th.J. Cuypers (1861-1949) in 1912 een bouwplan voor een afzonderlijk postgebouw dat aan de noordzijde van het station, aan de IJ-zijde dus, zou komen te staan. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verijdelde de uitvoering van de plannen. Daarna kreeg de bouw van een tweede stationskap aan de noordzijde de prioriteit. Het stationspostkantoor werd nu aan de zuidoostzijde van het station gesitueerd, op de plaats van de voormalige bagagevleugel van het station. In 1924 werd het stationspostkantoor in gebruik genomen. Het bakstenen gebouw staat er nog steeds, ten oosten van het huidige perron 2.
De mechanisering van de postdistributie vroeg in de jaren zestig van de vorige eeuw om een nieuw, modern postkantoor. De aangewezen locatie hiervoor was het voormalige rangeerterrein van de spoorwegen dat sinds de elektrificatie van het spoorbedrijf in de jaren dertig overbodig was geworden.
Aan de bouw van het nieuwe postkantoor ging een langdurige planvorming vooraf, waarbij de afdeling Stadsontwikkeling van de Dienst der Publieke Werken en stadsbouwmeester Ben Merkelbach (1901-1961) nauw betrokken waren. Het gebouw zou immers verrijzen op een zeer markante plek en over een grote afstand het beeld aan het open water van het Oosterdok domineren. Tevens moest het gebouw een visuele samenhang vertonen met het Havengebouw van W.M. Dudok dat in 1960 voltooid werd op het Westelijke Stationseiland aan de andere zijde van het Centraal Station.
Het ontwerp werd geleverd door P.J. Elling (1897-1962), een architect die geschoold was in de bouwkunst van het modernisme. Na het behalen van zijn timmermansdiploma aan de ambachtsschool, was Elling in dienst getreden bij het bureau van de ‘moderne’ architect van het eerste uur, Jan Duiker. In 1947 werkte hij op het bureau van Ben Merkelbach; twee jaar later was Elling opgeklommen tot diens eerste compagnon. Toen Merkelbach in 1955 tot stadsbouwmeester werd aangesteld, zette Elling het bureau onder eigen naam voort. In 1957 werd de voormalige timmermansleerling benoemd tot buitengewoon hoogleraar Bouwkunde aan de Technische Hogeschool te Delft. Een ander bekend werk van Elling in Amsterdam is het GAK-gebouw aan het Bos en Lommerplantsoen. De voltooiing van het stationspostkantoor, misschien wel zijn meest geslaagde schepping, heeft Elling niet meer mogen meemaken. Hij overleed in 1962.
Modernistische architectuur
Het stationspostkantoor bestond uit drie bouwvolumes die onderling verschilden in hoogte, oriëntatie en verspringingen in de rooilijn. Aan de westzijde bevond zich de perronoverkapping waarvan de golvende dakcontour contrasteerde met het ernaast gelegen brede, rechthoekige briefpostgebouw. Het bijna vijftig meter hoge pakketpost- en kantoorgebouw op de kop van het Oosterdokseiland vormde een ferme afsluiting van het hele gebouwencomplex. Omdat de lengteas hiervan iets verdraaid was, ontstond een wigvormige ruimte tussen dit bouwdeel en het briefpostgebouw. Hier vond het laden en lossen plaats van de bestelauto’s met pakketpost.
De architectonische opdeling correspondeerde met de verschillende functies van de bouwdelen. Onder de perronoverkapping werden de karretjes met postzakken gereden om te worden ingelaten. Het briefpostgebouw bevatte een openbare ruimte, ingericht voor postbussen. Ook kon hier tot negen uur ’s avonds post afgegeven worden die dan nog dezelfde avond verstuurd werd. In verband met deze bescheiden publieksfunctie werd de begane grond ontworpen als een reeks winkelpuien en de hoogte van het gebouw door de afdeling Stadsontwikkeling vastgesteld op zeventien meter, de gangbare hoogte van architectuur in de Amsterdamse binnenstad. De bezoekers voelden zich hierdoor, dat was althans de bedoeling, als in de vertrouwde Amsterdamse winkelomgeving. Het hoogbouwgedeelte was daarentegen zuiver een bedrijfsgebouw. Hier bevonden zich de kantoren en het distributiecentrum van pakketpost. Ondanks zijn enorme volume maakte het een gewichtloze, bijna zwevende indruk waaraan ook de toepassing van lichte Franse kalksteen bijdroeg. De kopgevel die naar de Prins Hendrikkade was gekeerd, rustte op twee betonnen kolommen en vertoont een betonraster voor de ramen op de verdiepingen. De lange gevels bestonden voor wat het bovenste deel betreft, uit doorlopende horizontale vensterreeksen gevat binnen min of meer gesloten gevelvlakken. Het bredere onderste deel, het pakketpostgebouw, werd afgesloten door een reeks boogvormige kapjes die een speelse afwisseling vormen op het verder strakke lijnenspel.
Het einde van een tijdperk
De door architectuurtheoretici veel geprezen architectuur van dit monument van het modernisme heeft het complex niet kunnen redden. Het postvervoer per trein behoort tot het verleden, en het ensemble bleek moeilijk in te passen in de zuidelijke IJ-oeverplannen. In 1999 werd het vonnis over de gebouwen geveld. De toenmalige supervisor van de Zuidelijke IJ-oeverplannen, prof. Dijkstra, oordeelde dat het stationspostkantoor ontegenzeggelijk van architectonische waarde was, maar dat er, vooral voor de laagbouw geen geschikte herbestemming gevonden kon worden. De hoogbouw mocht nog een tijd blijven bestaan. In 2004 nam het Stedelijk Museum hiervan twee verdiepingen in gebruik, terwijl het museumgebouw aan de Paulus Potterstraat verbouwd werd. Andere gebruikers die in 2004 in het stationspostkantoor hun intrek namen waren een architectenbureau, het kunstenaarsinitiatief W139, Pakhuis Amsterdam en, op de bovenste verdieping, partyclub en restaurant 11.