De Raadhuisstraat 21-55 vormt een typisch laatnegentiende-eeuwse winkelgalerij met bovenwoningen, ontworpen door de bekende architect A.L. van Gendt en zonen. De gevelwand buigt mee met de bocht die de straat hier beschrijft waardoor ze zich steeds ten volle aan het oog presenteert. De winkelgalerij speelt daardoor een bijzonder prominente rol in het straatbeeld.
Een nieuwe entree tot de binnenstad
De winkelgalerij is in 1896-1898 tot stand gekomen, direct na de aanleg van de Raadhuisstraat. De doorbraak dateert uit de tijd dat de hele infrastructuur van Amsterdam op de schop ging. Buiten de oude vestinggordel verrezen nieuwe stadswijken die de explosieve bevolkingstoename in het laatste kwart van de negentiende eeuw moesten opvangen. Ten einde de stadswijken met het centrum te verbinden werden grachten gedempt en brede verkeersaders aangelegd.
De stadsuitbreiding viel samen met de transformatie van Amsterdam van waterstad naar landstad. Het traditionele vervoer te water werd volledig overvleugeld door het wegvervoer, de paardentram en, al spoedig, gemotoriseerd vervoer. Ten behoeve van het verkeer werden de hoge welfbruggen vervangen door vlakke ijzeren plaatbruggen. Bovendien werd een groot aantal grachten gedempt, een gemakkelijke methode om brede straten te verkrijgen zonder dat er dure en tijdrovende onteigeningen aan te pas hoefden te komen. Voor de demping van grachten werden overigens niet alleen verkeerstechnische, maar ook hygiënische argumenten aangedragen. De grachten waren min of meer open riolen die een hoop ongerief en stank, en gevaar voor de volksgezondheid opleverden.
De overgang naar landstad werd bezegeld met de bouw van het Centraal Station (1881-1889) dat een centraal knooppunt werd in een geheel nieuw vervoersnetwerk. Het vormde begin- en eindpunt van brede verkeersaders die dwars door de oude stad naar de buitenwijken uitwaaierden. Als eerste kwam in 1893-1896, het westelijke tracé tot stand, de huidige as Nieuwe Zijds Voorburgwal-Raadhuisstraat-Rozengracht-De Clerqstraat en zo verder. In 1916 volgde de zuidelijke as, lopende vanaf Damrak-Dam-Rokin-Vijzelstraat en Vijzelgracht naar de Ferdinand Bolstraat en de rest van de Pijp.
Het eerste plan voor de aanleg van het westelijk tracé werd in 1883 gepresenteerd door ingenieur Theodoor Sanders, in 1885 gevolgd door een tweede, gewijzigd plan, opgesteld in samenwerking met H.P. Berlage die zijn loopbaan op het bureau van Sanders was begonnen. Het plan voorzag in doorbraken in combinatie met demping van twee grachten, de Warmoesgracht en de Rozengracht. Vooral de demping van de Warmoesgracht, een charmant dwarsgrachtje uit 1585 tussen Singel en Herengracht, in de stadsbeschrijving van Filips von Zesen uit 1664 als “die schönste und angenehmste aussicht der ganzen stadt” geprezen, betekende een ernstige aderlating voor liefhebbers van de historische binnenstad. Voor de aansluiting tussen de gedempte Warmoesgracht en Rozengracht was een doorbraak dwars door de grachtengordel onvermijdelijk. Het tracé werd zo gekozen dat zo min mogelijk onteigeningen nodig waren. Ook de monumentale waarde van panden speelde mee in de keuze met als gevolg dat het imposante dubbelpand “De Zonnewijzer” op Herengracht 182, gespaard bleef. De Raadhuisstraat is uiteindelijk zo aangelegd dat ze met een sierlijke bocht om het huis heenloopt richting Keizersgracht en Westermarkt waar de aansluiting op de Rozengracht plaatsvond.
Anders dan bij de recente aanleg van de Pijp, vanaf circa 1875 (toen bekend als de buurt YY) was gebeurd, waarvan de ontwikkeling aan speculanten was overgelaten, hield de gemeente bij de architectonische invulling van de Raadhuisstraat de regie strak in handen. De bebouwing moest aan strenge criteria voldoen, opdat de nieuwe straat een waardige entree tot de binnenstad zou vormen. Mede hierdoor werd de straat een aantrekkelijke locatie voor duurdere winkels. In opdracht van de levensverzekeringsmaatschappij Utrecht werd aan de zuidzijde van de straat een winkelgalerij gebouwd. Gezien de gevoelige stedenbouwkundige context -de ligging in de bocht van de nieuwe straat, geflankeerd door hoofdgrachten en in het zicht van de Westerkerk- werd bij de keuze van de architect geen risico genomen. De bouwopdracht ging daarom naar de ervaren architect A.L. van Gendt (1835-1901), die de reputatie had van betrouwbaar, pragmatisch en kundig. Hij had een groot repertoire vormen en stijlen tot zijn beschikking en wist de meest uiteenlopende opdrachten tot een bevredigend einde te brengen. Hij werd bij het ontwerp van de winkelgalerij geassisteerd door zijn zoons J.G. (1866-1925) en A.D.N. van Gendt (1870-1932).
Het bouwblok telt vier bouwlagen, waarvan de winkels en de entresol achter de galerij schuilgaan. Daarboven bevinden zich twee woonverdiepingen. De dakcontouren laten een levendige afwisseling zien van puntgevels en loggia’s die door open balustrades met elkaar in verbinding staan. De regelmatige cadans wordt halverwege onderbroken door een markante middenpartij, een waar architectonisch ‘showpiece’ dat zich onderscheidt door bredere vormen en rijkere toepassing van natuursteen en ornamentiek. Hier prijkt ook een fors wapenschild met een ‘U’, de initiaal van de levensverzekeringsmaatschappij Utrecht die de bouwopdracht had gegeven. Aan weerszijden van de middenpartij bevinden zich acht met ijzeren smeedwerk versierde bogen op natuurstenen pijlers met halfzuilen. De galerij wordt overdekt door een beglaasd lessenaarsdak.
Op enkele uitzonderingen na zijn de houten puien bewaard gebleven. Ze bestaan uit een grote etalageruit met afgeronde hoeken, geflankeerd door een winkeldeur en een deur die tot het trappenhuis toegang geeft. Boven de etalage bevindt zich een entresol met brede boogramen.
De eerste bovenverdieping valt op door de Jugendstilachtige brede hoefijzerbogen met paarse, bolvormige ruiten in de boogtrommels. Die van de ramen op de tweede bovenverdieping zijn opgevuld met siermetselwerk.
De gevelarchitectuur wordt nog een eindje de hoek om langs de Herengracht en de Keizersgracht in vergelijkbare maar iets soberder trant voortgezet. Het ronde torentje op de hoek met de Keizersgracht vormt een subtiel tegenwicht aan de vanaf hier goed zichtbare toren van de Westerkerk.
Het beeldhouwwerk bestaat voor het merendeel uit dieren, deels fabeldieren, die architectonisch strategische punten accentueren, zoals de straathoeken, het middenbalkon en de puntdaken. De beide ingangszijden van de winkelgalerij worden bekroond door wapenschilden en naturalistisch uitgebeelde krokodillen. Op de hoek met de Herengracht bevindt zich een middeleeuws aandoende waterspuwer in de vorm van een monster met opengesperde bek. De rijke sculpturale uitmonstering draagt in hoge mate bij aan het levendige, ‘adverterende’ karakter van de winkelgalerij.