Plantage Lepellaan 6

Kruimelpad

Pad tot huidige pagina :
 

Plantage Lepellaan 6

21 februari 2008

Plantage Middenlaan/Plantage Lepellaan 6 (1874-1876)

W. Springer & J.L. Springer

Rijksmonument

Hoek Pl. Middenlaan/Pl. Lepellaan

Het fraaie hoekhuis Plantage Middenlaan/Plantage Lepellaan 6 werd in 1874-1876 gebouwd. Zowel uitwendig als inwendig is het huis relatief goed bewaard gebleven. In combinatie met het schuin ertegenover gelegen, uit 1882 daterende Aquariumgebouw van Artis, draagt het pand in hoge mate bij aan de voorname negentiende-eeuwse uitstraling van de Plantage Middenlaan.

Geschiedenis

De villa werd gebouwd door de architecten W. Springer (1850-1907) en diens zoon J.L. Springer (1850-1915). De opdrachtgever was J. Coninck Westenberg, commissionair in assurantiën, gemeenteraadslid en tot tweemaal toe wethouder, eerst van Financiën, vervolgens van Publieke Werken. In zijn bestuurlijke functies moet Coninck Westenberg Willem Springer goed hebben gekend. Springer was namelijk van 1858 tot 1890 assistent-stadsarchitect onder Bastiaan de Greef (1818-1899). Mede dankzij zijn langdurig dienstverband is in Amsterdam een groot aantal gebouwen van zijn hand te vinden, zoals de Blauwbrug (1884), de Hogesluis (1883), het Muntgebouw (1877), de brandweerkazerne (1890) aan de De Ruyterkade en het Barlaeusgymnasium (1885). 

koetshuis en stal

In 1893 werd de villa aan de zijde van de Plantage Middenlaan door Jan Springer uitgebreid met een keuken en bijkeuken, en een op de Middenlaan uitkomende gang. De oude keuken werd veranderd in een tuinkamer waaraan een grotendeels uit glas en ijzer opgetrokken serre werd toegevoegd. In 1907 volgde een laatste uitbreiding, de bouw van stal en koetsierswoning in de tuin aan de Plantage Lepellaan, thans nummer 5, nu naar een ontwerp van Staal en Haalmeijer.

Sindsdien heeft het huis geen grote veranderingen meer ondergaan. In 1922 werd het huis gekocht door de koopman Josephus Ebbing. De familie Ebbing heeft hier gedurende zestig jaar gewoond. 

Eclectische bouwstijl

Het huis is naar de toenmalige smaak in een eclectische stijl opgetrokken, met vele aan de renaissance en barok ontleende ornamenten en met gevarieerd materiaalgebruik: baksteen afgewisseld met natuurstenen banden, bepleisterde omlijstingen en zuilen van portlandcement. Toch maakt de architectuur geen onrustige indruk dankzij de weloverwogen proporties, het herhalingselement en de duidelijke geleding van de bouwvolumes.

Het nagenoeg vierkante huis telt twee bouwlagen onder hoog opgaande, met leien gedekte schilddaken. De hoofdgevel aan de Plantage Lepellaan bestaat uit twee hoekpaviljoens aan weerszijden van een iets smaller middengedeelte met de entree. De maatverhoudingen laten zich aflezen aan het aantal blokjes in de kroonlijsten: zes blokjes voor de hoekpaviljoens, vijf voor de middentravee. De begane grond bestaat uit baksteen afgewisseld door natuurstenen banden die ook doorlopen over de vensteromlijstingen en de Toscaanse zuilen die de ingang flankeren. De rechthoekige vensters op de begane grond en op de etage zijn alle van hetzelfde formaat. Ook de ronde vensters van de dakkapellen zijn identiek, maar de dakkapel van de ingangstravee onderscheidt zich van de andere door een gebroken fronton. De hoekpaviljoens worden gesierd door bronskleurige vazen op consoles, en op de etage, door beelden in nissen binnen een Ionisch tempelfront. De beelden symboliseren respectievelijk de Zomer (een man met een sikkel) en de Winter (een vrouw die zich warmt aan een vuurpot).  Rechts van de voorgevel strekt zich de tuin uit, die door een sierlijk herkwerk van de Plantage Lepellaan wordt gescheiden. 

De gevel aan de Plantage Middenlaan vertoont weer de gelijkvormige vensters op begane grond en etage. Het hoekpaviljoen kent ook hier een rijke vormgeving. 

In aansluiting op de Ionische tempelfronten aan de Plantage Lepellaan worden hier  openslaande balkondeuren op de etage geflankeerd door Ionische zuilen. Links van de gevel bevindt zich de in dezelfde stijl uitgevoerde lagere aanbouw met Ionische zuilen  en een siervaas op console. Het hek en het gangetje daarnaast leiden naar de dienstingang.  

Interieur

De interieurindeling wordt bepaald door de grote centrale vestibule. Van hier leidt een wentel- of slingertrap met mahoniehouten leuningen en zinken balusters naar de bovenverdieping. Aan de zijde van de Plantage Middenlaan wordt de hal begrensd door een salon met woonkamer ‘en suite’ , en aan de andere zijde door een achthoekige eetzaal. Op de verdieping waren onder andere de slaapkamers, de badkamer, een kabinet, een biljartkamer en een logeerkamer. Op de zolder vonden een extra logeerkamer, een strijk- en mangelkamer, een dienstbodenkamer, een poetsvertrek en een bergplaats voor brandstoffen een plaats. De aankleding van het interieur roept herinneringen op aan die van de grachtenhuizen. Ook hier hebben diverse kamers gestuukte plafonds en is de wandbekleding uitgevoerd in verschillende soorten marmer, stuc en hout. De eetzaal heeft een eikenhouten parketvloer met een mozaïekrand in verschillende soorten hout.

Hoewel aangesloten op de in 1854 aangelegde duinwaterleiding, is het opmerkelijk dat daarnaast bij dit rijke woonhuis ook de traditionele regenbak en waterpomp nog gewoon in gebruik waren.

Literatuur
  • Luykx, P., "Een gedenkwaardig huis in de Plantage Lepellaan’’, OA 39 (1987), pp. 38-40
  • Wonen en wetenschap in de Plantage, 1982 p. 49
  • Zantkuijl, H.J; ‘Wonen in de Plantage’, in: Amsterdamse Monumenten 1983, afl. 2 p. 27
  • Bouwkundig Weekblad 16 maart 1907, pp. 157-158
  • Bouwkundige bijdragen, 24ste deel, 1878
  • Leeuwen, W. van, ‘Tussen droom en daad. Jan Springer als kwartiermaker van een visionaire architectuur’, in: De Sluitsteen 7 (1991), pp. 3-23