PARADISO/DE VRIJE GEMEENTE (1879-1880)
Weteringschans 6-8
G.B. Salm
Rijksmonument
Paradiso, de beroemde tempel van de popcultuur, is gevestigd in een voormalige kerk, of beter gezegd in het verenigingsgebouw van de Vrije Gemeente die zich in 1877 had afgescheiden van de Nederlands hervormde gemeente. Behalve vanwege de interessante gebruikersgeschiedenis is het gebouw ook vanuit architectonisch en stedenbouwkundig oogpunt belangwekkend.
In 1877 keerden twee predikanten, de gebroeders Hugenholz, gevolgd door circa 350 geestverwanten zich af van de Nederlands hervormde gemeente. Ze hadden bezwaren tegen de bindende geloofsbelijdenis en het naar hun mening te beperkte blikveld van de hervormde kerk. De vrijzinnigen wilden zich breder oriënteren en hadden ook belangstelling voor andere religies en levensopvattingen, zoals het boeddhisme en confucianisme. Bij hen was nog nauwelijks sprake van een kerk in de eigenlijke zin, men kwam enkel bijeen voor de gemeenschappelijke geloofsbeleving. Ze kenden daarom ook geen predikant, maar een voorganger en een toespraak kwam in de plaats van de preek.
Aanvankelijk kwam de door hen opgerichte Vrije Gemeente bijeen in een gehuurd lokaal in een sociëteitsgebouw, later Maison Stroucken geheten, het weer latere theater Bellevue aan de Marnixstraat/Leidsekade.
Vervolgens kon de Vrije Gemeente een van de terreinen langs de Singelgracht kopen dat was vrij gekomen nadat de uit 1658 daterende stadswal was geslecht. Het bouwterrein lag naast het Huis van Bewaring (in 1847 de eerste cellulaire gevangenis van Nederland, met daarnaast het uit 1890 daterende kantongerecht, nu politiek centrum De Balie) terwijl op een aantal verderop gelegen terreinen drie villa’s werden gebouwd. Schuin tegenover het gebouw van de Vrije Gemeente verrezen het Barlaeus gymnasium (1885), de Industrieschool voor Vrouwelijke Jeugd (1881) en een rij deftige burgerhuizen. Deze concentratie van gebouwen uit het laatste kwart van de negentiende eeuw bepaalt ook nu nog het stadsbeeld.
De Vrije Gemeente schreef voor het architectonisch ontwerp een besloten prijsvraag uit onder een zestal vooraanstaande architecten. Geen van de ontwerpen voldeed echter aan de vereiste criteria, en de eerste prijs werd derhalve niet toegekend. Maar na overleg met L.H. Eberson, een veelgevraagd en invloedrijk jurylid bij bouwkundige prijsvragen, ging de voorkeur uit naar het ontwerp dat onder het motto “Begin” was ingezonden door de architect G.B. Salm. Gerlof Bartholomeus Salm (1831-1897) stond bekend als een vrij behoudend maar degelijk en praktisch ingestelde bouwmeester. Zijn capaciteiten kwamen tot hun recht bij de ontwerpen van fabrieken en andere utiliteitsgebouwen, hoewel hij, vaak in samenwerking met zijn zoon Abraham Salm (1857-1915), ook ander soort bouwopdrachten uitvoerde, van arbeiderswoningen tot en met kerken en villa’s. Van het oeuvre van G.B. Salm zijn nog bewaard gebleven onder andere de twee villa’s Plantage Middenlaan 23-25 (1865), de wintertuin van café-restaurant Krasnapolsky (1879), ettelijke gebouwen van Artis (1868-1883) en de ‘dolerende’ kerk aan de Keizersgracht (1888), de laatste twee projecten weer in samenwerking met A. Salm GBzn.
Op 24 mei 1879 ging de eerste paal de grond in, bijna een jaar later, om precies te zijn op 2 mei 1880 was de bouw voltooid. De kerk was, overeenkomstig het motto van het prijsvraagontwerp, “Begin”, geïnspireerd op de vroege kerkarchitectuur, uit zowel de vroegchristelijke als de Romaanse periode. G.B. Salm werd geadviseerd door zijn zoon Abraham die op dat moment aan de Ecole des Beaux-Arts in Parijs studeerde. Na een onderzoek in de Bibliothèque Nationale noemde hij zijn vader allerlei voorbeelden van Franse romaanse architectuur die als uitgangspunt voor het ontwerp van de Vrije Gemeente konden dienden, zijn betoog larderend met schetsen. G.B. Salm liet zich echter ook inspireren door de vroegchristelijke bouwkunst. Wellicht hield deze keuze voor vroege kerkelijke bouwkunst verband met de nieuwe start die de vrijzinnigen wilden maken.
Het gebouw kent drie hoofdelementen: een voorgebouw haaks op het langgerekte schip dat op zijn beurt eindigt in een brede halfronde apsis. Het gebouw is bijna geheel uit baksteen opgetrokken, waarbij de rondboogvensters door een rodere soort baksteen worden benadrukt. De friezen werden voorzien van decoratief metselwerk. Het gebruik van natuursteen beperkte zich hoofdzakelijk tot het ingangsportaal met het opschrift “De Vrije Gemeente’’.
Het gebouw werd geprezen om zijn functionele inrichting. Het voorgebouw was een zelfstandig bouwlichaam dat als verkeersknooppunt fungeerde: aan weerszijden van de ingang bevonden zich vertrekken, rechtdoor betrad men de kerkruimte, links en rechts leidden trappen naar de galerijen op de verdieping en naar een ruimte voor koorrepetities. Aparte ingangen in de zijgevels gaven rechtstreeks toegang tot de kerkzaal.
De eigenlijke kerkruimte bood plaats aan 1600 mensen en werd in drie beuken verdeeld door gietijzeren zuilen met decoratieve consoles waarop de galerijen rustten. Het middenschip werd overdekt door een houten tongewelf, de zijschepen werden met opengewerkte, gietijzeren bogen met de buitenmuren verbonden. De benedenruimte ontving licht door smalle gekoppelde rondboogvensters, op het niveau van de omloop door brede, hoge vensters. De koorvensters bestonden uit geelgetint gebrandschilderd glas, waarvan het effect overeenkwam met dat van albasten ramen die bij vroegchristelijke kerken werden gebruikt.
Net als bij een vroegchristelijke kerk waren de liturgische voorzieningen, voor zover men daarvan bij de Vrije Gemeente kon spreken, geconcentreerd in de apsis. Hier bevonden zich het podium en het spreekgestoelte dat in de plaats kwam van de kansel. De bijzondere aard van de Vrije Gemeente kwam ook tot uitdrukking in de spaarzame ornamenten. De cartouches op het fries van de grote zaal en de gebrandschilderde ramen op de begane grond en op het niveau van de omloop huldigden de herinnering aan een bont gezelschap van geleerden, mystici, dichters en filosofen, zoals Spinoza, Vondel, Shakespeare, Dante,Thomas A. Kempis, Catharina van Siena, Zwingli, Maarten Luther, Immanuel Kant, Lessing, Goethe, Socrates en Marcus Aurelius.
Van Vrije Gemeente naar Paradiso
In 1965 verhuisde de Vrije Gemeente naar Buitenveldert. In afwachting van wat de toekomst brengen zou, werd het gebouw als tapijtopslagplaats gebruikt. Soms werden er ook ludieke manifestaties, “happenings’’, gehouden. Vanwege de toplocatie dreigde sloop van het gebouw. Toen de Zandvoortse hotelmagnaat Bouwes plannen maakte voor een groot hotel ter plekke, werd de actiegroep “Bouw-es wat anders’’ in het leven geroepen die met succes de hotelplannen verijdelde en bij de minister een verzoek indiende het gebouw op de monumentenlijst te laten plaatsen.
In 1968 werd het kerkgebouw omgedoopt tot cultureel jongerencentrum Paradiso dat uitgroeide tot een nationaal en internationaal bekend centrum van overwegend popmuziek. De locatie nabij het uitgaanscentrum Leidseplein, de vrijstaande ligging, en de doelmatige ruimtelijke indeling maakte het gebouw bij uitstek geschikt voor zijn nieuwe functie. Het waardige gebouw van Salm werd in provocerende kleuren rood-wit-blauw geschilderd, later met zwart overgeschilderd. Inmiddels is de gevel weer schoongemaakt en heeft ze haar oude aanzien herkregen. De oorspronkelijke gebrandschilderde ramen zijn verdwenen. Voor de begane grond zijn twaalf nieuwe gebrandschilderde ramen gemaakt, met allegorische voorstellingen van maatschappelijk relevante thema’s.
Groen, J.A., De Vrije Gemeente Honderd Jaar, in: Ons Amsterdam, 29 (1977) pp. 290-294
Hoogewoud, G., “Vrije Gemeente/Paradiso moet blijven’’, Wonen TA/BK, 18 (1975)
Middelkoop, N.E., “De bouwkunst van vader en zoon Salm’’, in: Ons Amsterdam, 49 (1997), pp. 226-231
Eck, J. van, De Amsterdamse Schans en de Buitensingel, Amsterdam 1948