PAPENEILAND (1641), De Haarlemse Jachtschuit (1656)
Prinsengracht 2/Brouwersgracht 101a, Prinsengracht 4
Rijksmonument
De panden Prinsengracht 2-4, hoek Brouwersgracht, staan op een erf dat omstreeks 1615 in bezit kwam van de kistenmaker Egbert Gerritsz. Daelder. Getuige de gevelsteen liet hij pas in 1641 op het erf het hoekhuis bouwen. Het kleine, oorspronkelijke achterhuis op nummer 4 volgde nog weer later, in 1656. De huizen waren een beleggingsobject want de eigenaar zelf woonde aan de overzijde van de Prinsengracht. In 1662 verkochten de erfgenamen van Daelder de twee huizen afzonderlijk. Daarbij werd het kleinere pand aangeduid als ‘De Haerlemse Jachtschuijt’: kennelijk bevond zich in de directe nabijheid van het huis een aanlegplaats voor de veerboot naar Haarlem. Het hoekhuis werd vanaf 1774 aangeduid als het Papeneiland, wellicht een verwijzing naar de toenmalige rooms-katholieke huiskerk De Posthoorn op Prinsengracht nummer 7.
|
| Jacob Cats, 1785 |
Het pand behoort tot het in de zeventiende eeuw veel voorkomende type van hoekhuis met bovenkamers die voor de verhuur waren bestemd. De ligging hiervoor was gunstig, aan de rand van de Jordaan, waar in de zeventiende eeuw veel werkzoekenden van buiten de stad heentrokken. Het hoekhuis met bovenkamers had het voordeel dat men aan de zijgevel een houten buitentrap kon aanbrengen zodat het voorhuis niet versmald hoefde te worden.
Ondanks de gelijkwaardigheid van de gevels was die aan de Brouwersgracht de voorgevel. Dat de Prinsengrachtgevel de zijgevel was blijkt uit de overkraagde verdieping en de opgang naar de bovenwoning.
Hoewel uit verschillende perioden daterend, zijn hoekhuis en achterhuis in dezelfde stijl gebouwd. Het was de stijl die sinds Hendrick de Keyser in Amsterdam erg populair was geworden: trapgevels met zware horizontale natuurstenen banden en met telkens drie grote natuurstenen boogblokken boven de vensters
De benedenwoning van het hoekhuis bestond oorspronkelijk uit een hoog voorhuis met winkel. Daarachter was de woonkamer met een insteek en stookplaats tegen de achtergevel. Later is de insteek doorgetrokken over het voorhuis. De keuken was waarschijnlijk in de kelder en pothuis ondergebracht. De eerste verdieping bevatte twee bovenkamers, de bovenverdieping hoorde als berging bij de winkel. Sinds 1896 werd het benedenhuis omschreven als ‘een winkelhuis met vergunning voor den verkoop van sterke dranken…’. Nog steeds is op die plek een café gevestigd.
Ook het pand op nummer 4 was een winkelpand met bovenwoning, echter van veel kleinere afmetingen. De breedte bedroeg slechts drie meter bij een diepte van amper zeven meter. De verdiepingen bestaan uit telkens twee gekoppelde kozijnen onder een ontlastingsboog. Een spiltrap tegen de achtergevel liep vanuit de kelder door tot aan de derde verdieping. In de achttiende eeuw werden ook hier de bovenkamers verhuurd. In de pui werd toen een tweede ingang gemaakt. Na 1774 werd de trapgevel vervangen door de huidige klokgevel.
In 1918 werden beide huizen door de Vereniging Hendrick de Keyser aangekocht waardoor ze, voor het eerst sinds 1662 weer in één hand kwamen. In 1929 werden de panden op terughoudende wijze gerestaureerd door de architect A.A. Kok. Een tweede restauratie, onder leiding van ir. C. Wegener Sleeswijk, volgde in 1955-1956 waarbij de trapgevels weer werden teruggebracht. Tegen deze ingreep had Kok zich bij de restauratie van 1929 juist verzet. In het Jaarverslag van de Vereniging Hendrick de Keyser over dat jaar schreef hij: ‘…Had men een trap willen maken dan was het resultaat geweest een valsche 17de eeuwsche trap op een 18de eeuwsche top. (…) Men komt ertoe zoomin mogelijk te wijzigen aan den aangetroffen toestand.’