Paleis op de Dam

Zoeken

Kruimelpad

Pad tot huidige pagina : Home : Monumenten : Paleis op de Dam
 

Paleis op de Dam

7 augustus 2008

Paleis op de Dam, vroeger Stadhuis op de Dam (1648-1665)
Nieuwezijds Voorburgwal 147
J. van Campen
Rijksmonument

Paleis op de Dam


 

 

Het stadhuis geldt als het belangrijkste historische en culturele monument van de Nederlandse zeventiende of Gouden Eeuw. Het huidige Koninklijk Paleis werd tussen 1648 en 1665 gebouwd als het nieuwe stadhuis van Amsterdam. De ontwerper was Jacob van Campen (1596-1657), die ingeschreven aan het Haarlemse Sint Lucasgilde, zijn opleiding tot kunstschilder kreeg bij Pieter de Grebber. De technische uitvoering van het ontwerp werd verzorgd door stadsbouwmeester Daniël Stalpaert (1615-1676). Beiden hielden toezicht op de bouw. Toen Van Campen in 1654 in conflict kwam met het stadsbestuur, kreeg Stalpaert de volledige leiding over de nieuwbouw. Het beeldhouwwerk werd gemaakt door Artus Quellinus (1609-1668) en zijn medewerkers. In 1655 werd het stadhuis feestelijk ingehuldigd, hoewel het toen nog niet voltooid was. Pas in 1665 was het gebouw gereed, terwijl aan de inrichting van de vertrekken tot aan het begin van de achttiende eeuw werd gewerkt.

Plannen voor een wonder

Het middeleeuwse stadhuis dat aan de Dam stond was in de zeventiende eeuw in bouwvallige staat geraakt. Na voorbereidende besprekingen die al in 1639 begonnen, viel in 1648 definitief het besluit tot de bouw van een nieuw stadhuis. In de tussenliggende jaren hadden verschillende ontwerpers, waaronder de Amsterdamse architect Philips Vingboons, ontwerpen gemaakt. De Vrede van Münster in 1648 bracht zo’n euforie met zich mee dat het meest ambitieuze plan werd uitgevoerd - dat van Jacob van Campen. Het nieuwe stadhuis werd het grootste bestuursgebouw van het toenmalige Europa en werd het ‘achtste wereldwonder’ genoemd. Het werd de parel op de kroon van Amsterdam en moest de rijkdom en het aanzien van de stad kracht bijzetten.

Middeleeuwse stadhuis, afgebrand in 1652
De burgemeesters van Amsterdam waanden zich de consuls van een nieuw Rome. Met het nieuwe stadhuis werd voor hen een nieuw Capitool gebouwd, met gebruikmaking van reconstructies van de architectuur van het klassieke Rome. Kosten noch moeite werd gespaard. Het enorme gebouw zou gefundeerd zijn op 13.659 palen. De kern van het gebouw werd met baksteen gemetseld. Het exterieur werd Tekening interieurgeheel opgetrokken uit Bentheimer en Obernkirchener (of Bremer) zandsteen dat oorspronkelijk veel lichter van kleur was, maar door inwerking van de weersinvloeden naar donkergrijs verkleurd is. De onderste zone van het interieur van de Burgerzaal en de galerijen werd bekleed met marmer.

 

Koninklijk gebruik

In 1808 liet koning Lodewijk Napoleon, broer van de keizer, zich het stadhuis aanbieden en het inrichten tot koninklijk paleis. Onder leiding van de Franse hofarchitect Thibault en de Amsterdamse architect Bart Ziesenis werd aan de voorzijde op de hoofdverdieping een balkon aangebracht. In de galerijen in het interieur werd met houten wanden een nieuwe indeling gemaakt die aansloot op het vereiste hofceremonieel. Na de Franse tijd gaf Prins Willem van Oranje het paleis terug aan Amsterdam dat het gebouw echter niet in gebruik nam. In 1936 werd overeengekomen dat het rijk eigenaar werd van het paleis en dat er voor de stad een nieuw stadhuis gebouwd zou worden. De koopsom van het gebouw diende voor de nieuwbouw van het stadhuis. Dat stadhuis kwam er echter pas laat: het opende in 1988 zijn deuren aan het Waterlooplein.

Prent: Lodewijk Napoleon neemt zijn intrek in het Paleis
 
Restauraties

In de twintigste eeuw werd het gebouw meerdere malen ingrijpend gerestaureerd, De ingrepen onder Lodewijk Napoleon werden daarbij grotendeels ongedaan gemaakt en het zeventiende-eeuwse karakter van het gebouw werd gereconstrueerd. Soms werden bij deze restauraties moderne materialen gebruikt, zoals in de stalen kruiskozijnen op de begane grond. Behouden bleven talrijke verlichtingselementen in de galerijen en een bijzondere collectie Empire meubelen. Na de restauratie van 1960 werd het gebouw (beperkt) opengesteld voor het publiek. Op dit moment is het gebouw gesloten, vanwege een restauratie en inwendige verbouwing, waarbij ook het asbest van een eerdere verbouwing wordt verwijderd.

Oude foto

De taal van het Hollands Classicisme

De architectuur van het stadhuis heeft de kenmerken van het Hollands Classicisme, een bouwstijl die in hoge mate was geïnspireerd op het werk van de Noord-Italiaanse architecten Andrea Palladio en Vincenzo Scamozzi. In hun boeken en eigen ontwerpen kozen zij de oud-Romeinse bouwkunst als uitgangspunt. Eenvoudige vormen en verhoudingen, gecombineerd met klassieke ornamenten bepalen dan ook het massieve uiterlijk van het Amsterdamse stadhuis. Op een sokkelachtige onderverdieping met in het midden zeven rondbogen, staat een Composiete orde gevolgd door een Corinthische pilasterorde, beide over twee verdiepingen. De gevel wordt afgesloten door een omgaande kroonlijst en steil schilddak. Het zeven vensters tellende middendeel van de symmetrische gevel aan de Dam springt naar voren en wordt bekroond door een driehoekig fronton met het bronzen standbeeld van de Vrede. De tempelachtige koepel verheft zich daarachter. Aan weerszijden springt de gevel vijf traveeën met de breedte van een venster terug en in de beide hoekpaviljoens weer drie traveeën naar voren. De festoenen en kapitelen, de diverse lijsten en de twee frontons met uitgebreide marmeren beeldengroepen in de timpanen zijn voorzien van rijk gedecoreerd beeldhouwwerk.

Detail facade

Gedecoreerde frontons

Het gebouw heeft zowel aan de voorgevel aan de Dam als aan de achtergevel aan de Nieuwezijds Voorburgwal een groot fronton met een timpaan met marmeren beeldhouwwerk. Het reusachtige beeld de Vrede refereert aan de Vrede van Münster (1648). De personificatie van de Vrede draagt twee vredessymbolen: de olijftak en de staf van Mercurius. Ze wordt geflankeerd door de personificaties van de Voorzichtigheid en de Gerechtigheid. Het timpaan laat de welvaart zien die uit de vrede voortkomt: zeegoden en –wezens verbeelden de Amsterdamse dominantie op zee en betuigen hulde aan de Amsterdamse stedemaagd die in het midden troont. Het fronton aan de achtergevel (Nieuwezijds Voorburgwal) wordt bekroond door Atlas die de wereldbol draagt. Hij wordt geflankeerd door de personificaties van de Gematigdheid en de Waakzaamheid. In het timpaan is opnieuw de stedemaagd uitgebeeld. Aan haar voeten zitten hier de riviergoden Amstel en IJ. De stedemaagd strekt haar armen uit om de schatten van de vier, toenmalig bekende, werelddelen in ontvangst te nemen. Van links naar rechts zijn dat Afrika, Europa, Azië en Amerika. Achter Amsterdam – het centrum van de wereld – is een koggeschip, het oude wapen van de stad, te zien.

Atlas en andere goden

Reacties op het Achtste Wereldwonder

Hoewel de reacties van tijdgenoten veelal positief waren is het monumentale, classicistische gebouw niet altijd door iedereen gewaardeerd. Al in de zeventiende en de achttiende eeuw waren er mensen die het gebouw te plomp en de sculptuur te overheersend vonden. In de negentiende eeuw, toen men meer oog had voor het ‘schilderachtige’ van de ‘Oud-Hollandsche’ cultuur, had bijvoorbeeld Conrad Busken Huet maar weinig op met ‘die zwaarmoedige dobbelsteen met de vele ogen, wiens aanblik noch aan de geschiedenis van Nederland vóór de hervorming doet denken, noch aan zijn geschiedenis daarna, maar alleen aan de tekenportefeuilles van vaderlandse bouwmeesters die geruime tijd in Italië hadden vertoefd, geboeid door de Arno of de Tiber, en het eigenaardig vonden aan de boorden van het IJ een palazzo-Farnese, een palazzo-Borghese, of een palazzo-Strozzi over te planten.’

In de twintigste eeuw waardeerde men vooral de regelmatige opzet en eenvoud van vormen die werden uitgelegd als benadering van ‘het klassieke ideaal in de Gouden Eeuw’.

INTERIEUR

De plattegrond van de hoofdverdieping van het gebouw beschrijft een rechthoek met twee binnenplaatsen die aan weerszijden van de middenas liggen. Op die middenas ligt de centrale hal, de Burgerzaal. Trappenhuizen in de middenas en naast de vier uitspringende hoekpaviljoens ontsluiten de verdiepingen. Vanuit de Burgerzaal lopen galerijen om de beide binnenhoven heen. Ze geven toegang tot de omliggende vertrekken waarin oorspronkelijk de belangrijkste functies voor het bestuur en de rechtspraak waren ondergebracht, zoals de Burgemeesterskamer, de Oud-Raadzaal, de Vroedschapszaal en de Schepenzaal. Aan de Damzijde bevindt zich op de begane grond de Vierschaar waar het doodvonnis werd uitgesproken.

Interieur burgerzaalvloer burgerzaal

Burgerzaal

De Burgerzaal op de hoofdverdieping is bereikbaar via het trappenhuis achter de Vierschaar. Hij was bedoeld als openbare ruimte waar de burgers en bezoekers van de stad elkaar konden ontmoeten. De zaal heeft eenvoudige verhoudingen met een breedte van 60, een lengte van 120 en een hoogte van 90 Amsterdamse voet (1 voet = 28,3 cm). Net als de buitengevels is de Burgerzaal voorzien van een (Corinthische) pilasterorde over twee verdiepingen, hier deels uitgevoerd in marmer en zandsteen. Boven de kroonlijst van de bovenste orde bevindt zich een houten tongewelf.

In de marmeren vloer zijn het Oostelijk en het Westelijk Halfrond en de noordelijke sterrenhemel weergegeven. De zuidelijke hemel zou volgens het oorspronkelijke plan op het plafond worden afgebeeld maar daar is het nooit van gekomen. De huidige beschildering dateert uit het begin van de achttiende eeuw. In de zwikken van de rondbogen waarmee de Burgerzaal op de galerijen aansluit zijn tweemaal de bouwstenen van het universum afgebeeld, de vier elementen aarde, water, lucht en vuur. De bezoeker van Amsterdam en de Burgerzaal kon zich daarmee in het middelpunt van het universum wanen. Zoals de wereldzeeën aan de voeten lagen van de schepen die vanuit Amsterdam zwierven, zo lag hier de wereld aan de voeten van de Amsterdammer.

Boven de oostelijke toegang van de zaal is een beeld geplaatst dat personificatie van de stad Amsterdam voorstelt. De zittende figuur heeft palmbladeren en olijftakken in haar handen, aan haar voeten liggen leeuwen en ze wordt geflankeerd door twee vrouwfiguren die voor wijsheid en kracht staan.

personificatie van Amsterdam

Aan de overzijde van de Burgerzaal bevindt zich de monumentale entree tot de Schepenzaal, het belangrijkste van de serie vertrekken voor de stedelijke rechtspraak. De toegang is bekroond door een personificatie van Gerechtigheid die Hebzucht (met ezelsoren) en Nijd (met slangenhaar) vertrapt. Gerechtigheid wordt geflankeerd door Straf (met knieverbrijzelaar) en Dood (geraamte). Daarboven torst Atlas de wereld.

De grote kroonluchters die in de Burgerzaal hangen dateren uit de tijd dat het stadhuis in opdracht van koning Lodewijk Napoleon werd ingericht om als Koninklijk Paleis te dienen.

gang

Galerijen

Net als de Burgerzaal waren de galerijen in de zeventiende en achttiende eeuw voor het publiek toegankelijk, omdat daar de belangrijkste rechtslichamen van de stad aan lagen. Het uitgebreide sculpturale decor van de galerijen verduidelijkte aan de bezoekers waar welke functies waren ondergebracht. Het universum van de Burgerzaal wordt door middel van beelden van de planeten voortgezet aan de uiteinden van de galerijen. De hoogreliëfs van Diana, Mercurius, Jupiter, Apollo, Mars, Venus, Saturnus en Cybele (de godin van de aarde) zijn toepasselijk gekoppeld aan de toegangen van diverse afdelingen van de stadsregering. De zonnegod Apollo bijvoorbeeld, flankeert als god van de kunsten en muziek en als de schepper van harmonie, de entree tot de kamer van de commissarissen van Kleine Zaken.

Ook boven de toegangen tot de andere vertrekken zijn reliëfs geplaatst die betrekking hebben op hun bestemming. De voorstellingen zijn gebaseerd op de klassieke mythologie. Zo heeft de Assurantiekamer een bovendeurstuk in reliëf waarop Arion is afgebeeld die zich, overboord gezet, met zijn prachtige lierspel verzekerd weet van redding door een dolfijn. De Desolate Boedelskamer, waar faillissementen werden uitgesproken en geregistreerd, is gedecoreerd met de val van Icarus en verwijst figuurlijk en letterlijk naar overschatting van het eigen vermogen. De Secretarie heeft boven de deuren basreliëfs met verbeeldingen van trouw en stilzwijgendheid. Ze zijn gesigneerd (RVHVLST) door beeldhouwer Rombout Verhulst (1624-1698).

Schilderij Burgemeesterskamer

Burgemeesterskamer

De Burgemeesterskamer ligt, vanaf de Damzijde gezien, achter de twee linker vensters van het middenpaviljoen. De kamer heeft een veelkleurige marmervloer, ingebracht tijdens een restauratie in de twintigste eeuw, en als enige van de belangrijkste raadsvertrekken en kantoren een wandverdeling met Corinthische kapitelen en een schoorsteenpartij. Net als op talrijke andere plaatsen in het uitgebreide beeldprogramma van het stadhuis, zijn de thema’s en voorbeelden zo gekozen dat ze de vergelijking van Amsterdam met het legendarische Republikeinse Rome ondersteunen. In de schoorsteenmantel toont het fries de zegetocht van de Romeinse consul Quintus Fabius Maximus. Het schilderij in de schoorsteenboezem, door Jan Lievens geschilderd in 1656, laat zien hoe Fabius Maximus afstijgt van zijn paard om zijn respect te betuigen aan zijn zoon Suessa als nieuwe consul. Het onderschrift van Vondel legt de voorstelling uit:

‘De zoon van Fabius gebied zijn eigen Vader
Van ’t paard te stijgen voor Stads eer en aghtbaarheid.
Die kent geen bloed en eischt dat hij eerbiedig nader.
Dus eert een man van staat het ampt hem opgeleid’.

Door een groot venster in de wand tegenover de schouw konden de burgemeesters rechtstreeks getuige zijn van de zitting die onder hen plaatsvond in de Vierschaar.

fabritius en pyrrhus, van Ferdinand Bol, 1656de onomkoopbaarheid vanconsul marcus curius dentatus van Govert Flinck, 1656 

De Burgemeesters Raadzaal

De Raadszaal, ook wel Oud-burgemeesterszaal genoemd, was zowel via de galerij bereikbaar als via een tussenportaal in de burgemeesterskamer. Hier vergaderde de raad van vier regerende burgemeesters en acht oud-burgemeesters. De grote zaal kijkt met vier vensters uit over de Dam en wordt gedekt door een hoog tongewelf. Tegen beide korte wanden zijn grote schoorsteenpartijen geplaatst. De grote schilderijen boven de haarden hebben toepasselijke voorstellingen, net als in de andere bestuurskamers. De noordelijke schoorsteenpartij is voorzien van Ferdinand Bols Fabritius en Pyrrhus uit 1656 en verwijst naar de onkreukbaarheid en vastberadenheid van de goede staatsman. Boven de zuidelijke schoorsteenboezem hangt Govaert Flincks interpretatie van de onomkoopbaarheid van de Romeinse consul Marcus Curius Dentatus (1656), die ‘zijn rapen verkiest boven het goud der Samnieten’.

Vroedschapskamer
 
De Vroedschapskamer

In deze kamer kwam de vroedschap samen, een college van 36 vooraanstaande Amsterdammers die als adviseurs optraden en waaruit de burgemeesters, schout en schepenen werden benoemd.

De twee grote schoorsteenmantels worden gedragen door Composiete zuilen en pilasters en hebben gedecoreerde friezen. Het fries in de zuidelijke schoorsteenpartij  toont de voorwaarden voor goede raad, terwijl in de noordelijke de resultaten van die goede raad zijn afgebeeld. Zo geven
 mozes daalt met de tafelen der wet van de berg sinai, Ferdinand Bol , 1662
 
bijvoorbeeld de uil en het boek wijsheid en studie weer, terwijl de beteugelde dolfijn kan worden opgevat als waarschuwing tegen overhaaste beslissingen.

Voor beide schoorsteenpartijen hangen schilderijen met oud-testamentische voorstellingen. Govaert Flinck schilderde Salomo’s gebed om wijsheid (1658), terwijl Jethro geeft Mozes raad (1659) van de hand van Jan van Bronckhorst is. Ook het grote schilderij langs de lange wand geeft de Amsterdamse ‘vroede vaderen’ een bijbels voorbeeld voor hun handelen. Het is in 1737 geschilderd door Jacob de Wit en is verwant aan het schilderij van Van Bronckhorst. Het toont Mozes die op advies van zijn schoonvader Jethro zijn gezag over het volk Israël met zeventig ‘Godtvreesende, waerachtighe verstandighe Mannen’ besloot te delen.

Schepenzaal

In de as en tegenover de ingang van de Burgerzaal bevindt zich de Schepenzaal, waar door Schepenen recht werd gesproken en wetten werden uitgevaardigd. De monumentale omlijsting van de toegang tot de Schepenzaal wordt bekroond door de personificatie van de Gerechtigheid door Artus Quellinus. De schoorsteenmantel in de zaal heeft een door Quellinus in 1656 gebeeldhouwd reliëf dat de dans om het Gouden Kalf voorstelt. Erboven hangt Ferdinand Bols schilderij uit 1662 van Mozes die met de stenen tafelen – de tien geboden, door God gedicteerd – van de berg Sinaï afdaalt. De relatie tussen beide voorstellingen symboliseert het primaat van het wereldlijk boven het religieus gezag.

vierschaar

Vierschaar

De Vierschaar neemt in de plattegrond van het stadhuis een prominente plaats in: hij ligt achter de middelste drie bogen aan de Damzijde. Vanouds was een vierschaar een gerechtshof, vaak in de openlucht, waar schout en schepenen het doodvonnis uitspraken. Het halsrecht – het recht een doodvonnis te mogen uitspreken – was een belangrijk stedelijk privilege. Dat rechtvaardigt de plaatsing van de Vierschaar aan de Dam, waar de handelingen, die vaak vooral een ceremoniële bevestiging van het vonnis waren, in het openbaar voor het toegestroomde publiek waren te volgen. Het gevolg was wel dat het gebouw een niet echt monumentale ingang heeft gekregen. Ook voor het oude stadhuis dat aan de Dam stond lag een Vierschaar die voor iedereen toegankelijk was.

vierschaarDe ondiepe, hoge ruimte werd door Artus Quellinus gedeeltelijk met marmer bekleed. Beeldhouwwerk en architectuur zijn er met elkaar versmolten. Tegen de achterwand staan banken waarop de schout en schepenen plaatsnamen wanneer de stadssecretaris vanaf zijn zetel terzijde het vonnis voorlas. De burgemeesters konden vanuit hun kamer op de eerste verdieping rechtstreeks in de Vierschaar kijken. Achter de banken zijn drie scènes in basreliëf aangebracht. De voorstellingen worden van elkaar gescheiden door berouwvolle Kariatiden. Ze herinneren aan de vrouwen van Karyai, die als straf voor hun verraad van de stad Athene tot slavinnen werden. Het linker reliëf toont de barmhartige Zaleukos uit de Griekse geschiedenis, die een oog laat uitsteken om zijn veroordeelde zoon niet beide ogen te laten uitsteken. In het midden is het wijze oordeel van Salomo uit de Bijbel verbeeld. Rechts is de Romeinse consul Brutus afgebeeld. Hij liet zijn beide zoons onthoofden omdat zij tegen Rome hadden samengespannen en dient hier als voorbeeld van onpartijdigheid.