DE OPENLUCHTSCHOOL (1929-1932)
Cliostraat 40
Jan Duiker
Rijksmonument
De door architect Jan Duiker ontworpen Openluchtschool aan de Cliostraat is een van de bekendste voorbeelden van het Nieuwe Bouwen. In het ontwerp zijn tegelijk de idealen van de openluchtschoolbeweging verwerkt die destijds grote opgang maakte. Het resultaat was een luchtig, elegant gebouw met een ranke betonconstructie en bijna geheel uit glas bestaande wanden.
Openluchtscholen bestonden in Nederland vanaf 1908. Ze waren aanvankelijk alleen bestemd voor ziekelijke kinderen. De scholen werden gebouwd in een natuurlijke omgeving, waar de kinderen in combinatie met goede voeding en hygiënische omstandigheden konden aansterken en tegelijk onderwijs ontvangen. Dergelijke scholen verrezen ook in Amsterdam, aan het Oosterpark (1931) en bij het Vondelpark (Frederikstraat, 1925).
In 1927 werd de ‘Vereeniging van Openluchtscholen voor het Gezonde Kind’ opgericht die van de openluchtschool een algemeen schooltype wilde maken, en niet alleen voor ziekelijke kinderen. Volgens de nieuwe opvattingen ging van de openluchtscholen ook een preventieve werking uit omdat kinderen door voldoende frisse lucht en de ultraviolette straling van de zon minder vatbaar voor allerlei ziektes zouden worden. Bovendien zou het onderwijs in de openlucht bevorderlijk zijn voor de leerprestaties.
Spoedig na haar oprichting verleende de vereniging aan Duiker, in samenwerking met de architect B. Bijvoet, de opdracht voor de bouw van een openluchtschool voor het gezonde kind. De school moest een voorbeeldfunctie vervullen voor een nieuw soort schoolgebouw dat op den duur algemene ingang zou kunnen vinden. De nieuwe Openluchtschool distantieerde zich daarom nadrukkelijk van het beeld dat openluchtscholen alleen voor zieke of zwakke kinderen geschikt waren. Bij toelating tot de school moesten de ouders zelfs een doktersverklaring van de goede gezondheid van hun kind overhandigen.
Jan Duiker (1890-1935) was vanaf 1927 architect-adviseur van de ‘Vereeniging van Openluchtscholen voor het Gezonde Kind’. Hij schreef artikelen en hield regelmatig lezingen over het thema van de openluchtschool. Behalve de school in de Cliostraat ontwierp hij ook het openluchtschoolinternaat Zonneheide in Hilversum.
Jan Duiker was een vooraanstaand architect van het Nieuwe Bouwen. Alle door hem ontworpen gebouwen zijn inmiddels tot rijksmonument verklaard, waaronder het sanatorium Zonnestraal in Hilversum, het flatgebouw Nirvana in Den Haag en de bioscoop Cineac in de Reguliersbreestraat in Amsterdam.
De Openluchtschool in de Cliostraat was het eerste gebouw in Berlages Plan-Zuid dat in de stijl van het Nieuwe Bouwen verrees. Het hoofdgebouw staat op een binnenterrein, vanaf de straat te bereiken via een poortgebouw. Om de aanvoer van bouwmaterialen en het werkverkeer niet te hinderen werd eerst, in 1929-1930 het hoofdgebouw opgetrokken. Het poortgebouw kwam in 1932 gereed. De ligging op een binnenterrein had als voordeel dat straatrumoer op afstand werd gehouden, bovendien was bouwen op een binnenterrein goedkoper dan aan de straat. De school werd in de noordelijke hoek van het terrein geplaatst zodat maximaal van zonlicht geprofiteerd kon worden. Het poortgebouw bevatte links van de doorgang een rijwielstalling en boven de doorgang een handenarbeidlokaal. Rechts bevond zich de conciërgewoning met daarboven de twee bouwlagen tellende woning van het schoolhoofd.
Het schoolgebouw wordt gekenmerkt door een grote mate van openheid en lichtheid. De ijle, bijna zwevende indruk die het gebouw maakt, wordt versterkt door het heldere kleurgebruik met wit gepleisterde betonnen wanden, kolommen en balken, afgewisseld met de lichtblauwe stalen kozijnen.
Draagconstructie (het betonnen skelet) en de ruimte omgevende delen (grotendeels strookvensters) zijn strikt van elkaar gescheiden. Conform het functionalistische principe van het Nieuwe Bouwen werd zuinig met materiaal omgesprongen en al het overbodige weggelaten. Dat ging zo ver dat de kolommen op de bovenverdiepingen slanker zijn dan beneden omdat ze minder hoeven te dragen. Ook de dikte van de balken waarop de vloeren rusten, was afhankelijk van het ter plekke vereiste draagvermogen.
De basisvorm van het schoolgebouw is een diagonaal geplaatst vierkant, met de punt naar het zuiden. De school telt een begane grond, drie verdiepingen en een dakterras.
Op de begane grond bevond zich een hal met trappenhuis, met aan de noordzijde personeelsruimten en een rechthoekige uitbouw voor het gymnastieklokaal. De bovenverdiepingen bestonden uit twee vijfhoekige lokalen met op het zuiden een gemeenschappelijk overdekt terras dat ook als leslokaal gebruikt kon worden. Gangen, een vast gegeven in de traditionele schoolbouw, ontbreken hier. De klassen zijn gegroepeerd rond een centraal trappenhuis. Op het dakterras bevonden zich nog eens twee buitenlokalen die door windschermen werden omgeven. De school beschikte dus in totaal over zeven overdekte lokalen en vijf buitenlokalen. De overdekte lokalen waren feitelijk semi-openluchtlokalen want vier wanden bestonden uit vensterstroken waarvan de van de wind afgekeerde vensters altijd opengezet konden worden.
De schoolbanken stonden diagonaal in de klas opgesteld zodat de kinderen het daglicht in de rug hadden. De enige dichte wand was een afgeschuinde zijde op het noorden. Hier bevonden zich het schoolbord, een fonteintje, de gangdeur en een berging. Aan de halzijde van deze wand waren op vernuftige wijze kapstokhaken bevestigd.
Duiker introduceerde in de school een nieuw verwarmingsysteem dat hij op een studiereis in Engeland had leren kennen. In het betonnen plafond werden dunne buizen aangebracht waar heet water doorheen stroomde. Het voordeel van dit systeem was dat het stralingswarmte afgaf in plaats van de lucht te verwarmen. In combinatie met de terrassen en de draairamen, moest het nieuwe verwarmingssysteem openluchtonderwijs in ieder jaargetijde en onder alle weersomstandigheden mogelijk maken. Helaas functioneerde het systeem niet naar verwachting. De betonconstructie werd erdoor beschadigd, en bovendien had het als nadeel dat het hoofd van de leerlingen bestraald werd, terwijl de voeten en benen koud bleven. Op den duur schakelde men daarom toch maar over op de traditionele verwarming met radiatoren.
Hoewel de Openluchtschool in de Cliostraat direct het boegbeeld van het Nieuwe Bouwen werd, heeft het gebouw een aantal aanpassingen en verbouwingen ondergaan die het oorspronkelijke luchtige karakter enigszins aantastten. Kort na de opening werden achter de ramen roljalouzieën aangebracht. In 1937-1939 werden door het architectenbureau J. & P. Cuypers de personeelsruimten op de begane grond uitgebreid. Aan de noordwest zijde kwam ter hoogte van de entresol een uitbouw voor de directiekamer en werd de glasstrook tussen onderbouw en eerste verdieping dichtgezet. In 1955 volgde een verbouwing door A. Komter, een vroegere medewerker van Duiker. Hij verving het betonnen door een houten dak, verbreedde de dakrand, en verving de oorspronkelijke stalen puien door forser uitgevoerde exemplaren met andere roedeverdeling. Het ranke windscherm van het dakterras maakte plaats voor een veel zwaarder soort in hout en het matglas van het trappenhuis werd vervangen door gewoon glas.
In 1985-1986 werd het poortgebouw door de architect J.M. Peeters aan de zijde van het binnenterrein voorzien van een geheel nieuw glazen trappenhuis. Het vroegere handenarbeidlokaal veranderde in een gymnastiek annex fröbellokaal voor kleuters en de woningen werden bij de schoollokalen getrokken.
In 1993-1994 werd het hoofdgebouw echter zoveel mogelijk weer in oorspronkelijke staat teruggebracht. De ranke schoonheid van het gebouw werd weer zichtbaar door het versmallen van de dakrand en het vernieuwen van de windschermen op het dak. Het oorspronkelijke kleurengamma (wit, zwart en lichtblauw) kon precies gereconstrueerd worden op basis van kleursporen die bij het ook door Duiker ontworpen sanatorium Zonnestraal werden aangetroffen. De door Komter aangebrachte stalen puien en ramen zijn echter ongemoeid gelaten.