De Obrechtkerk markeert de overgang tussen de eind negentiende-eeuwse naar de vroeg twintigste-eeuwse rooms-katholieke kerkbouw in Amsterdam. In 1909-1910 verrees de kerk naar een ontwerp van Jan Stuyt (1868-1934) en Jos. Th. J.Cuypers (1861-1949) in het nieuwe stadsgedeelte ten zuiden van het Museumplein. De kathedraalachtige allure en de rijke inrichting maken haar tot een passend monument in een fraaie buurt met belangrijke cultuurpaleizen als het Rijksmuseum, Concertgebouw en Stedelijk Museum. De kerk bevat een groot aantal kunstwerken van vooraanstaande kunstenaars uit de eerste helft van de twintigste eeuw.
Het gebied tussen Overtoom en Boerenwetering werd vanaf 1896 als woonbuurt voor de gegoede burgerij tot ontwikkeling gebracht. In de Vondelstraat, ten westen van het Vondelpark, ontwierp P.J.H. Cuypers de Vondelkerk (1872-1880). Ten oosten van het park ontbrak vooralsnog een parochiekerk. Om hierin te voorzien werd in 1900 een bouwcommissie in het leven geroepen die Jan Stuyt en Jos. Cuypers, zoon van Pierre Cuypers, uitnodigde een ontwerp te maken. Het duurde daarna nog bijna tien jaar eer de bouw daadwerkelijk van start ging. In de tussentijd presenteerden de architecten tot vijf keer toe uitgewerkte ontwerptekeningen. Gaandeweg verandert het plan van een neogotische naar een overwegend neoromaanse kruisbasiliek. De spitsbogen van de eerste ontwerpen werden consequent door rondbogen vervangen, de achthoekige en ronde zuilen van de scheibogen door vierkante pijlers. Deze ontwikkeling liep in de pas met de toen meer algemene tendens om rooms-katholieke kerken niet meer vanzelfsprekend in neogotische stijl te bouwen. Een belangrijke rol hierbij speelde de rooms-katholieke kunstkring De Violier, waartoe ook Jan Stuyt en Jos. Cuypers behoorden. Volgens De Violier stond het de moderne kunstenaar vrij om zich van meerdere stijlen en uitdrukkingsmiddelen te bedienen.
De kerk ligt eigenaardig, midden op de reeds geprojecteerde Valeriusstraat die nu abrupt bij de koorpartij van de Obrechtkerk ten einde komt. De latere bebouwing aan de Banstraat heeft de koorpartij geheel aan het oog onttrokken. Het kortere door de kerk afgescheiden deel van de Valeriusstraat kreeg naderhand de naam Palestrinastraat. Aan deze zijde kwam de voorgevel van de kerk. Het voorplein wordt geflankeerd door de pastorie (links) en een noodkerk (rechts) die gebruikt werd zolang de hoofdkerk nog niet klaar was. Het was de bedoeling dat de noodkerk later als schoolgebouw zou dienen, maar daarvoor bleek ze in de praktijk toch niet geschikt. Nu doet het gebouw dienst als kantoorruimte.
De kerkgevel wordt geflankeerd door twee forse torens met opvallende torenhelmen in de vorm van piramiden met iets gebogen hoeklijnen. De arcaden in de onderbouw, de diepe verticale nissen en de bogengalerij van de klokkenzolder verlenen de torens een plastische werking. Boven de ronde neoromaanse ingangsboog bevindt zich een groot roosvenster en in de top een tegeltableau met de voorstelling van de Kroning van Maria.
De kerk heeft een traditionele plattegrond, met driebeukig schip, een transept en een verhoogd koor met halfronde apsis, geflankeerd door twee zijkapellen. De halfronde kapellen van het dwarsschip gaan aan de buitenzijde schuil achter de sacristie en een ruimte die oorspronkelijk bestemd was als kapel voor de zusters, die de nabijgelegen school zouden bedienen. Nu wordt de ruimte benut voor culturele doeleinden.
InterieurHet interieur kent een kleurige afwerking. De bogen bestaan uit afwisselend baksteen en witte natuursteen. Een zelfde geblokte opbouw komt terug bij de muurgeleding in de zijbeuken, en bij de pijlers van de viering en het koor. De vloer van het koor bestaat, naar het voorbeeld van vroege Italiaanse kerken, uit marmer inlegwerk.
De bouwmeesters waren, evenals de andere leden van De Violier, voorstanders van samenwerking tussen architectuur en decoratieve kunsten. Het architectenduo gaf daarom aanwijzingen voor glas-in-loodvoorstellingen, sculptuur, schilderingen en kerkmeubilair die deels ook in het atelier van Cuypers te Roermond vervaardigd werden.
Jan Stuyt ontwierp het hoogaltaar met overhuiving (1918) naar voorbeeld van het middeleeuwse Italiaanse baldakijn-altaar. De altaarbeelden zijn waarschijnlijk afkomstig uit het atelier van Cuypers. Zes van de zeven gebrandschilderde ramen in de apsis, met voorstellingen van de Sacramenten, zijn in 1922-1924 uitgevoerd door W. Mengelberg.
De bronzen preekstoel, een ontwerp van Jan Eloy Brom, werd vervaardigd in het Haagse atelier Fermin (1925), het orgel (1917) was afkomstig van de Alkmaarse orgelbouwer Vermeulen.
Kees Dunselman, die ook lid van De Violier was, heeft een groot stempel op de inrichting gedrukt. Van zijn hand zijn de schilderingen in de koorapsis, op de koorwanden en in de vieringtoren. Ook van zijn hand zijn de kruiswegstaties in de zijbeuken, de schilderingen in de kapel van de H. Antonius en de schildering rond het gipsreliëf van H. Gerardus Majella. Maar na 1925, toen pastoor H.J.W. Hoosemans aantrad, werd Dunselman op een zijspoor gezet. De voorkeur van Hoosemans ging uit naar moderne kunstenaars, onder wie Matthieu Wiegman, Mari Andriessen, John Rädecker en Joep Nicolas. De velden op de middenschipwanden die Dunselman zou gaan beschilderen, zijn leeg gebleven.
Veel opdrachten gingen nu naar Matthieu Wiegman die net een succesvolle tentoonstelling in het Stedelijk Museum had gehouden. Wiegman, een exponent van de Bergense School, schilderde vier grote schilderingen rondom de vieringtoren, en muurschilderingen in de H. Hartkapel en in het transept. Hij ontwierp vanaf 1935 ook glas-in-loodvensters: het roosvenster (Verrezen Christus), de vensters in het linker (Verheerlijking van Maria) en rechter transept (Altaarsacrament) en de gangvensters naar de sacristie (de drie Theologische Deugden). De glas-in-loodvensters met voorstellingen van de Rozenkrans in de kapel van de pastorie zijn in 1927-1928 door Joep Nicolas uitgevoerd. Albert Servaes, een belangrijke Vlaamse expressionist, schilderde het schilderij van Maria met de H. Drievuldigheid, terwijl de Dadaïst Otto van Rees de koepel en de nissen van de piëtakapel beschilderde. Onlangs zijn deze schilderingen weer tevoorschijn gekomen nadat ze in de jaren vijftig van de vorige eeuw achter een laag blauwe verf en gordijntjes waren verdwenen.
Van de hand van Mari Andriessen zijn het stenen beeld van Franciscus van Assisi, het houten Mariabeeld boven de altaartafel en een altaarkruis. Een andere vooraanstaande beeldhouwer, John Rädecker, maakte het duifje in een groen marmeren plaat achter de preekstoel.
In 2006 werd gestart met de eerste fase van de hoognodige restauratie van de kerk. Begonnen is met de vieringtoren en het koor.