Verscholen op een achterterrein aan de Prinsengracht ligt het achttiende-eeuwse Nieuwe Suykerhofje, een hofje voor rooms-katholieke bejaarde vrouwen. Het liefdadigheidshofje is in 1755 gesticht door Gerrit ten Sande en zijn vrouw Maria de Groot op het nog braakliggende terrein achter de panden aan de Prinsengracht. De naam Nieuwe Suykerhofje - ter onderscheid met het reeds bestaande Suykerhofje aan de Lindengracht - verwijst uiteraard naar de professie van de stichter. Gerrit ten Sande was een telg uit een rooms-katholieke suikerbakkersfamilie die meerdere bezittingen en fabrieken had in het centrum van Amsterdam en in de Jordaan.
Op het niet bepaald omvangrijke achterterrein werden zes kleine huizen met tuitgevels gebouwd, in drie blokken, die aan in totaal vierenvijftig 'behoeftige rooms-katholieke vrouwspersonen' onderdak boden. Een twintigtal jaren later werd er aan het complex nog een kapel toegevoegd.
Een kleine poort aan de gracht geeft toegang tot een smalle steeg, die deels inpandig is. Halverwege deze steeg bevindt zich een tweede poort en daar zijn ook de huizen gebouwd, ter linker- en rechterzijde van de steeg respectievelijk een gekoppeld en een enkelvoudig huizenblok en aan het eind, dwarsgeplaatst, een blok van drie huizen. De zes huizen waren oorspronkelijk onderverdeeld in zevenentwintig kamers, waarin de vrouwen telkens twee-aan- twee woonden. De huizen ter weerszijden van de steeg telden telkens drie kamers boven elkaar. In de drie diepere huizen waren zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde twee kamers (rug aan rug), ook over drie verdiepingen.
|
| De achterzijde van het laatste blok van drie huizen |
Typologisch is deze opzet van gestapelde 'cameren' vrij uitzonderlijk. In de traditie van liefdadigheidshofjes of vrijwoningen komt de situering van de woningen rond een gemeenschappelijk binnenterrein, gebruikt als bleekveld en voorzien van een put met pomp, het meest voor. De bescheiden éénkamer-woningen zijn bij dit type van de straat gescheiden door een muur, waarin het poortgebouw - meestal gecombineerd met regentenkamer - vanwege zijn uitbundigere decoratie meestal schril afsteekt. In het Nieuw Suikerhofje waren de woningen gestapeld, is de toegangspoort onopvallend en is de regentenkamer 'weggestopt' op de verdieping van de kapel.
Toch was er in deze vooral uit plaatsgebrek voortkomende opzet rekening gehouden met de zelfstandigheid van de woningen. Alle vertrekken zijn als éénkamerwoningen opgevat en individueel bereikbaar. De woningen op de begane grond hadden afzonderlijke ingangen, de woningen op de verdiepingen waren via trappenhuizen met steile steek- en spiltrappen ontsloten. Achter een van de toegangsdeuren in het blok van drie huizen bevond zich tot voor de restauratie tevens de gang die leidde naar het achtergelegen bleekveld, waar rond 1777 ook de kapel werd gebouwd.
|
| Een houten onderpui met gekoppelde deuren en ramen |
De woningen verschilden in wezen niet veel van elkaar en hebben enkelvoudige balklagen, houten vloeren - deels gedekt met plavuizen - en hadden elk een bedstede, een voorraadkast, een vitrinekast en een haardpartij. Waar de woningen naast of achter elkaar lagen zijn de tweepersoonsbedsteden rug aan rug geplaatst. De bedsteden werden in principe geflankeerd door een vitrinekast aan de ene zijde en een voorraadkast aan de andere zijde.
|
| Kamer met toegangsdeur en schouw |
De haardpartijen zijn tegen een van de andere muren aangebracht en waren in sommige vertrekken voorzien van hergebruikte zeventiende-eeuwse haardplaten. De schouwen zijn betegeld met witte en mangaantegels in ruitmotief. Het bouwhistorisch onderzoek in het hofje heeft aan het licht gebracht dat de achter elkaar gelegen vertrekken in het blok met de drie huizen aanvankelijk ook functioneel gekoppeld waren. Uit de constructie van de vloeren en balken kon namelijk worden afgeleid dat de vier bewoonsters van telkens twee vertrekken voor verwarming en koken waren aangewezen op de grotere haardpartij in de achterkamer. De vloer was hier vanwege het brandgevaar voorzien van plavuizen, terwijl in de voorkamer werd volstaan met een houten vloer. De indeling heeft niet lang gefunctioneerd, want rond 1800 kregen ook de voorkamers een eigen haardpartij, smuigers (rookvang en -kanaal) in de kamers van het middelste huis en voor de andere kamers werden haardpartijen toegevoegd in aanbouwen in de steeg (tussen deze huizen en de andere twee blokken).
|
| Bovenkamer met schouw en bedstede |
Rond 1777 werd op het terrein van het bleekveld tegen de achtergrens van het perceel overdwars een grote kapel gebouwd. De combinatie van een hofje met een kapel komt alleen bij rooms-katholieke hofjes in Amsterdam voor. Daarnaast lijkt deze kapel door zijn situering en zijn uiterlijk meer op de achttiende-eeuwse tuinhuizen achter de grachtenpanden dan op een godshuis, in de context van ‘schuilkerken’ overigens een niet ongebruikelijk fenomeen.
|
| Het vroegere altaar in de Kapel. De schouw is bij de restauratie ingebracht. |
In de kapel zijn twee smalle beuken afgescheiden, waarbij in één daarvan op de entresol een bescheiden regentenkamer was ondergebracht, voor vergaderingen of voor het bijwonen van de mis. Het interieur van de hoofdruimte is niet meer geheel intact, maar geeft nog steeds een goede indruk van de oorspronkelijke rijkheid. Het altaar aan de zuidwand en het schijnorgel met tribune aan de noordwand zijn uitgevoerd in stuc. Dit stucwerk is evenals de overige stucdecoraties uitgevoerd in de stijl van de vroege Vlaamse barok en niet in een voor 1777 veel meer voor de hand liggende Lodewijk XV of Lodewijk XVI-stijl.
|
| Kapel met schijnorgel in stucwerk |
Wellicht zijn altaar en orgel eerder vervaardigd en hier hergebruikt. Wellicht is het ook mogelijk dat uit de Zuidelijke Nederlanden afkomstige kunstenaars zijn ingeschakeld bij de decoratie van de kapel. Hoe dan ook, de kapel van het Nieuw Suikerhofje zal vanwege deze bevindingen waarschijnlijk een belangrijke schakel in het onderzoek naar (decoraties van) schuilkerken worden. De meest in het oog springende kleurresten op en tussen het stucwerk dateren uit de late negentiende eeuw. Deze kleuren zijn bij de restauratie overgeschilderd. Het stucwerk is met zorg gerestaureerd.
|
|
In het laat-19de-eeuwse woonhuis aan de gracht is een extra toegangsdeur naar het 18de-eeuwse Nieuwe Suykerhofje |
Het Nieuw Suykerhofje verloor in 1936 zijn oorspronkelijke bestemming met het vertrek van de laatste bewoonsters en de openbare veiling van het complex op last van de rechter. Tien jaar eerder had de Gezondheidscommissie geconstateerd dat de vertrekken onvoldoende werden verlicht en dat er te weinig kranen en privaten op het hofje aanwezig waren. De dienst Bouw- en Woningtoezicht adviseerde in 1938 de nieuwe eigenaar C.N. Willemse dan ook om het complex maar te slopen. Gelukkig negeerde hij dit advies en verhuurde hij vanaf 1941 het hofje aan studenten en kunstenaars, van wie er meerdere actief werden in het verzet. De ingrijpende restauratie van het complex, onder begeleiding van het Bureau Monumentenzorg, begon in 1999. Eind 2002 werd de laatste hand gelegd aan de verbouwing van het hofje met zevenentwintig 'cameren' tot vijf appartementen.
Hoewel er vanwege het nieuwe gebruik noodgedwongen aanpassingen moesten worden doorgevoerd is getracht het oorspronkelijke interieur zoveel mogelijk te respecteren. Schouwen, bedsteden, vitrinekasten, voorraadkasten en andere originele onderdelen van de woningen zijn hergebruikt in de nieuwe appartementen.