Over de datum waarop de bouw van de Nieuwe Kerk is begonnen, tasten we in het duister. Waarschijnlijk begon men rond 1380 in de boomgaard van koopman Willem Eggert met het graven van een bouwput, om er de fundamenten van een nieuw godshuis te leggen. De Oude Kerk was toen nog de enige parochiekerk in de stad en werd langzamerhand te klein, omdat de stad in de tweede helft van de veertiende eeuw sterk was gegroeid en steeds meer inwoners had gekregen.
Op het moment dat men met de bouw van de nieuwe kerk begon, was de westelijke helft van de stad dus nog geen zelfstandige parochie. Dat gebeurde pas op 15 november 1408, toen de bisschop van Utrecht toestemming gaf voor die tweede parochie in Amsterdam. De Nieuwe Kerk was waarschijnlijk eerder dat jaar al in gebruik genomen. De kerk was aanvankelijk alleen aan Onze Lieve Vrouwe gewijd, later ook aan de Heilige Catharina.
Zoals gebruikelijk bij het bouwen van kerken in de middeleeuwen werd de Nieuwe Kerk niet in één fase gerealiseerd. Tot de oudste bouwfase behoren het koor en het dwarsschip. Tijdens de stadsbrand van 1421 liep de nieuwbouw vertraging op, hoewel de kerk minder beschadigd raakte dan men lange tijd heeft verondersteld. Wel heeft het herstellen van die beperkte schade waarschijnlijk invloed gehad op de verdere uitbreiding van de kerk, want pas rond 1435 begon men met de bouw van het schip. Op een schilderij uit het einde van de vijftiende eeuw is dat schip afgebeeld met een lengte van acht traveeën. Ruimtegebrek heeft de bouwers er tijdens de bouw echter toe gedwongen hun ambitieuze plannen bij te stellen, zodat het schip slechts vijf traveeën lang is geworden. Het schilderij toont ons nu dus de aanvankelijke plannen.
|
| Detail kaart Cornelis Anthonisz, 1544 |
Ook de stadsbrand van 1452 heeft nauwelijks vertraging opgeleverd, omdat de Nieuwe Kerk toen niet werd getroffen. In de tweede helft van de vijftiende eeuw bouwde men de zijbeuken en werd de middenbeuk verhoogd, om meer licht in de kerk te krijgen. Ook werd een aantal kapellen aan de kerk toegevoegd. Dendrochronologisch onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat een van die kapellen, de Drapenierskapel, in 1504 werd voltooid.
De laatste stap in de nieuwbouw werd in de jaren 1538-1544 gezet toen het noordertransept werd verhoogd, zodat het dezelfde hoogte kreeg als het zuidertransept.
Terwijl de kerk tijdens de stadsbranden van 1421 en 1452 gespaard bleef, werd het gebouw op 11 januari 1645 door een enorme brand getroffen. Schaftende loodgieters hadden een brandende vuurpot op het dak laten staan, waardoor de houten kap in brand vloog. Een harde noordoostenwind wakkerde het vuur aan, zodat binnen enkele uren het dak met het houten gewelf, het vieringtorentje en de orgels in de kerk waren gestort. Slechts het koor en de kapellenkrans ontkwamen aan de vlammen. Van het schip en het dwarspand stonden enkel nog de muren overeind. Na de brand is de kerk in een zogenaamde gotiserende stijl hersteld.
De voortdurende concurrentie met de Oude Kerk leidde er toe dat men in 1565 begon met het aanleggen van fundamenten voor een toren aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Het werk stokte echter al snel, als gevolg van de Beeldenstorm. Pas na de brand van 1645 besloot men de oude plannen voor een toren alsnog uit te voeren. Op 9 mei 1646 begon men met het slaan van in totaal 6363 heipalen, maar zeven jaar later stopte de bouw abrupt toen de toren tot halverwege het middenschip reikte. De reden voor de bouwstop is wellicht dat het stadsbestuur bang was dat een hoge toren het in aanbouw zijnde stadhuis op de Dam zou overvleugelen. Een andere verklaring voor de onvoltooide toren is dat de toren al tijdens de bouw verzakte.
De bouw van de klokkentoren was een eigenaardig project, vooral wanneer men bedenkt dat waarschijnlijk niemand minder dan Jacob van Campen het ontwerp maakte. Hij staat bekend als een architect die in een Classicistische stijl ontwierp (denk aan het Stadhuis en het Coymanshuis). De Nieuwekerkstoren ontwierp hij met gotische elementen, in feite een erg ouderwetse maar praktische oplossing waardoor de toren bij de rest van de kerk zou passen.
In 1783 werd de westzijde van de toren gesloopt, om ruimte te bieden aan het verkeer op de Nieuwezijds Voorburgwal. In 1847 besloot men op de stomp een bovenbouw in een neogotische stijl te plaatsen.
De kerk werd in de jaren 1892 en 1907-1912 gerestaureerd door architect C.B. Posthumus Meyes die neogotische elementen aan de kerk toevoegde. Zijn doel was om de kerk terug te brengen in de staat van voor de brand van 1645. Zo liet Posthumus Meyes het neogotische bovenbouwtje op de torenstomp slopen. Op basis van enkele oude prenten maakte hij een nieuw ontwerp voor de westgevel. Ook het zuidportaal werd in een gotische stijl veranderd. Bovendien werd rondom de kerk een aantal rommelige aanbouwen verwijderd.
In de jaren 1959-1980 werd de kerk opnieuw gerestaureerd, nu door C. Wegener Sleeswijk. Zijn uitgangspunten bij de restauratie weken af van zijn voorganger Posthumus Meyes. Het belangrijkste doel van de restauratie was de kerk aan te passen aan de eisen van de tijd en ervoor te zorgen dat door het terugbrengen van het originele kleurenschema de lichtwerking in het gebouw werd verbeterd. Bovendien moest constructief herstel worden uitgevoerd, waarbij de vieringpijlers van een betonnen kern werden voorzien en nieuwe funderingen werden gelegd. Onder de natuurstenen zerkenvloer werd een verwarming aangebracht, waarvoor een groot deel van de oude zerken het veld moest ruimen om te worden vervangen door dunnere natuurstenen platen. Enkele aanbouwen werden verlaagd om meer lichtinval te krijgen. De neogotische aanbouw naast het zuiderportaal werd vervangen door een meer ingetogen gebouw.
In 1980 was het werk klaar en werd de kerk overgedragen aan een stichting die tot doel heeft het gebouw te vullen met “activiteiten van maatschappelijke, culturele en religieuze aard”, zoals tentoonstellingen maar ook inhuldigingen.
Voor de geschiedenis van de Nieuwe Kerk is 1814 een belangrijk jaar. Koning Willem I deed er toen zijn eed op de grondwet. Sindsdien zijn alle Nederlandse vorsten in de Nieuwe Kerk ingehuldigd.
Tijdens de Beeldenstorm van 1578 werd het rijke interieur van de Nieuwe Kerk vernield. Nadat de stad in dat jaar de kant van de Opstand had gekozen, werd de Nieuwe Kerk in gebruik genomen als protestantse kerk. Hiervoor werden de muren en kolommen van een laag witsel voorzien, de nissen van hun heiligenbeelden ontdaan, wandtapijten neergehaald en een preekstoel in het midden van de kerk opgesteld. De kapellen verloren hun oorspronkelijke functie: de Drapenierskapel werd in gebruik genomen als timmerwerkplaats, de Meeuwskapel als stookhuis.
In de zeventiende eeuw werd een aantal bekende Amsterdammers in de kerk begraven, zoals Joost van den Vondel, P.C. Hooft en Jan Vos. Ook Jan Six, Nicolaes Tulp en de geleerde Caspar van Baerle vonden hun laatste rustplaats in de Nieuwe Kerk.
|
| Praalgraf Michiel de Ruyter |
Een trots bezit van de kerk is het praalgraf van Michiel de Ruyter, dat in de halfronde afsluiting van het koor op de plaats van het vroegere hoogaltaar staat. Het beeldhouwwerk van het graf werd uitgevoerd in rood, zwart en wit marmer en is van uitzonderlijke kwaliteit. Het werd gemaakt door de beeldhouwer Rombout Verhulst, die het in 1681 voltooide. Michiel de Ruyter woonde aan de Prins Hendrikkade, met uitzicht op het IJ. Hij sneuvelde ten gevolge van verwondingen die hij opliep tijdens de Slag bij de Etna in 1676. De begrafenis van de admiraal bracht in Amsterdam een enorme menigte op de been. De kosten voor het symboolzwangere praalgraf werden voor rekening genomen door de Staten Generaal.
Andere grafmonumenten in de kerk zijn die van Jan van Galen uit 1653 en admiraal Van Kinsberg, van rond 1830. Jan van Speijk, die zich in de haven van Antwerpen met zijn kanonneerboot opblies, kreeg eveneens een plaats in de kerk. In 1832 werden zijn resten van de Oosterkerk naar de Nieuwe Kerk overgebracht.
De kerk heeft een fraai interieur, hoewel hiervan het overgrote deel van na de brand van 1645 stamt. Opvallend zijn het monumentale koorhek uit 1645, dat door edelsmid Johannes Lutma in classicistische stijl werd ontworpen en de indrukwekkende preekstoel van Albert Jansz Vinckenbrinck, uit de jaren 1649-1664.
Bijzonder fraai is het grote orgel, dat de hele westwand van het middenschip in beslag neemt en in 1655 werd voltooid, door orgelbouwer Roelof Barentsz Duyschot en zijn zoon Johannes. Het uiterlijk van het orgel is mogelijk ontworpen door Jacob van Campen, met beeldhouwwerk van Artus Quellinus en schilderwerk van Gerrit Jansz van Bronchorst.
Na de brand van 1645 heeft Gerrit Jansz van Bronchorst enkele nieuwe vensters gemaakt, onder andere voor de Eggert- en de Schutterskapel. Het onderste deel van het gebrandschilderd glas in het noordertransept stamt uit de jaren 1647-1650 en stelt de overhandiging van het stadswapen door Graaf Willem VI van Henegouwen aan de burgers van Amsterdam voor. Het bovenste gedeelte van het venster stamt uit 1977.
Het zuidertransept is voorzien van een groot venster, dat is gemaakt ter gelegenheid van de inhuldiging van Koningin Wilhelmina in 1898. Het werd vervaardigd door J.L.L. Schouten, naar ontwerp van O. Mengelberg. Het raam stelt de Oranjes voor, vanaf Willem van Oranje tot en met Koningin Wilhelmina, omringd door allegorische figuren. Boven het graf van Jan van Galen in het noordertransept zijn twee gebrandschilderde vensters te zien, die de burgerij van Amsterdam in 1939 aan Koningin Wilhelmina aanbood naar aanleiding van haar veertigjarige jubileum, een jaar daarvoor. Deze vensters zijn vervaardigd door Joep Nicholas, naar ontwerp van Willem van Konijnenburg.
Toen Koningin Beatrix in 2005 haar zilveren regeringsjubileum vierde werd ook haar als nationaal aandenken een glas-in-loodvenster aangeboden. Dat nieuwe raam werd gemaakt door de Tilburgse kunstenaar Marc Mulders.