Aan het einde van de Plantage Middenlaan staat tegenover het Koninklijk Instituut voor de Tropen de Muiderpoort. Hij staat tussen de Lijnbaans- en de Singelgracht die respectievelijk de binnen- en buitengracht van de zeventiende-eeuwse stadswal waren. Ooit was hij een van de stadspoorten, maar sinds de bouw van de nieuwe brug in 1903 wordt het verkeer om de poort heen geleid. Daardoor staat hij, ooit een scharnierpunt in het stedelijk verkeer, nu bijna ongebruikt in een plantsoentje terzijde. Van de poorten die in de zeventiende en achttiende eeuw de toegang tot de stad markeerden, is de Muiderpoort als enige overgebleven. Hij werd als stadspoort gebouwd in 1770, nadat zijn voorganger het jaar daarvoor plotseling was ingezakt. De bouw geschiedde onder supervisie en naar ontwerp van stadsbouwmeester Cornelis Rauws (1732-1772), het beeldhouwwerk werd vervaardigd door Anthonie Ziesenis (1731-1801).
De Muiderpoort is een van de weinige monumentale stadspoorten die in Nederland zijn gebouwd in de tweede helft van de achttiende eeuw. De zorg die aan het uiterlijk in monumentaal classicistische vormen is besteed, onderstreept het belang van de poort als belangrijke schakel tussen de stad en de landswegen. De verdedigbaarheid was van ondergeschikt belang geworden, maar wel behield de poort waarmee de stad kon worden afgesloten, zijn functie als centrum voor het innen van stadsbelastingen en tolgelden.
|
| Hendrik Keun, 1771 |
De stadspoort is classicistisch van opzet en is gedetailleerd volgens het systeem van de Dorische orde. Deze orde is onder meer herkenbaar aan de gedrongen zuilen en het fries met trigliefen. Hij werd tot ver in de negentiende eeuw veelal geassocieerd met mannelijkheid en daarom vaak toegepast in gebouwen met een militaire of weerbare functie.
Opvallend aan de Muiderpoort is dat de twee belangrijkste façades, de stadszijde en de veldzijde, verschillend zijn gedetailleerd. De gevel aan de veldzijde heeft in het fronton het stadswapen met de drie Andreaskruizen. Dit was het eerste wat bezoekers zagen van de Amsterdamse stadsarchitectuur. De Dorische orde is aan deze zijde geaccentueerd met halfzuilen die door banden wordt doorbroken en het solide en weerbare karakter van de poort versterken. Aan de stadzijde (met in het fronton het oudere stadswapen met het koggeschip) zijn pilasters toegepast. Classicistisch is ook de manier waarop de centrale poort wordt geflankeerd door bogen, een verwijzing naar de triomfbogen die men uit de Romeinse Oudheid kende.
De doorgang heeft een spectaculair gemetseld bakstenen kruisgewelf. De beide vleugels aan de poort waren oorspronkelijk ingericht voor de wacht en voor het heffen van tol. Boven de frontons verheft zich een vierkante opbouw, waarop de achtkante houten koepelbouw van tamboer, koepel en lantaarn is geplaatst, bekleed met zink, lood en leien. Die opbouw staat niet loodrecht boven de onderbouw maar meer richting stadszijde. De open uurwerken in de lantaarn en de koepelvormige bekroning verbergen de klokkestoel.
Verantwoordelijk voor het ontwerp van de Muiderpoort was de stadsarchitect Cornelis Rauws (1732-1772). Vanwege zijn grote bouwkundige expertise werd hij ook als onafhankelijk deskundige buiten Amsterdam om advies gevraagd. Veel heeft hij als stadsarchitect echter niet kunnen maken, omdat hij kort na zijn aanstelling het leven liet in de grote brand van de Amsterdamse Schouwburg van 11 mei 1772. Dit gebouw geldt als het enige bekende en zelfstandige werk van Rauws in Amsterdam en daarbuiten.
Rauws gold in zijn tijd als een bekwaam vakman met een grote bouwkundige kennis. Hij was afkomstig uit een aanzienlijke familie van bestuurders uit Woudrichem en werd in 1760 beëdigd als ingenieur bij de genie van de generaliteit. Hij was achtereenvolgens gelegerd in Grave en Arnhem, waar hij werd bevorderd tot eerste luitenant. In 1766 verhuisde hij naar Amsterdam, om als adjunct van directeur Gerard Frederik Maybaum van de stadsfabriek te worden aangesteld. In het voorjaar van 1768 overleed Maybaum en volgde Rauws hem op.
Uit Rauws’ ontwerp voor de Muiderpoort spreekt zijn voorkeur om afstand te doen van het sinds de zeventiende eeuw gangbare model van de
Hollandse stadspoort, dat bijvoorbeeld in Leiden door stadsarchitect Willem van der Helm, en in Amsterdam onder Hendrick de Keyser tot standaard was geworden. In de zeventiende eeuw had men duidelijk voorkeur voor een poortgebouw op min of meer vierkante grondslag met een kubusvormig volume en een schilddak, waarboven een koepel of zelfs torenachtige opbouw oprees. Deze poortgebouwen waren meestal voorzien van een centrale doorgang die bekroond werd door een fronton. Rauws koos echter voor een model dat minder duidelijk bij de Hollandse traditie aansloot, maar sterk was geïnspireerd op de Franse militaire architectuur. In het Amsterdams Historisch Museum bevindt zich een houten model van de poort dat waarschijnlijk werd vervaardigd naar aanleiding van de bouw.
Oorspronkelijk ging al het verkeer door de poort de stad in en uit. Voor de poort lag over de Singelgracht een stenen brug waarin twee houten wipbruggen opgenomen waren. Aan het uiteinde van de brug was een
![]() |
| Muiderpoort met 'hekkepoortje', foto eind 19e eeuw |
buitenpoort of hamei aangebracht, voorzien van smeedijzeren hekken. Deze ‘hekkepoort’ dateert uit de bouwtijd van de poort, maar werd in 1898 om verkeerstechnische redenen afgebroken: men vond de doorgang te smal. De hekkepoort is bewaard gebleven. Veertig jaar na de sloop werd hij herbouwd aan de ingang van het huidige Flevopark in Amsterdam-Oost. Daar staat hij nog steeds. De Muiderpoort zelf raakte door de plaatsing van de nieuwe brug in 1903 buiten het verkeersgewoel te staan en het verkeer passeerde hem nog slechts terzijde. De poort werd opgenomen in een klein, aangeharkt en deels bestraat plantsoen.
|
| Luchtfoto, 1926 |
In 1963 is het gebouw geschikt gemaakt als kantoorgebouw, waardoor de spartaanse afwerking van het interieur verloren ging. De Muiderpoort had oorspronkelijk vanwege de quasi-militaire functie een uiterst sobere inwendige decoratie. Balklagen, profileringen, schouwen, trappen en trapleuningen, alle onderdelen waren zo neutraal mogelijk vormgegeven en in grauw- en grijstinten geschilderd en gepleisterd. De trappenhuizen die uit de bouwtijd stammen, voeren naar de eerste verdieping waarvan de plattegrond overeenkomt met die van de begane grond. In het westelijke wachthuis op de eerste verdieping bevindt zich de ‘directeurskamer’ die in 1963 werd ingebracht. Deze kamer is voorzien van een schoorsteenpartij, die werd gekopieerd naar de aanwezige originele schoorsteen op de begane grond.
Vanaf de eerste verdieping heeft men door middel van twee moderne stalen trappen toegang tot een lage tussenverdieping ter hoogte van de borstwering in de vleugels.In de vierkante onderbouw van de koepel is de houtconstructie geheel in het zicht. Tegenwoordig is het inwendige van de achtkante tamboer in vier kamers onderverdeeld. Via een luik in het plafond bereikt men de koepel en de trap naar de lantaarn met klokkenstoel.