De Krakeling is sinds 1978 in gebruik als theatercentrum van de Stichting Jeugdtheater Amsterdam. Oorspronkelijk was de Krakeling echter een turngebouw dat in 1887 werd voltooid.
Gymnastiek raakte omstreeks het midden van de negentiende eeuw in navolging van het buitenland ook in Nederland ingeburgerd. Reeds in 1843 had de Groningse onderwijzer R.G. Rijkens een “Praktische Handleiding voor Kunstmatige Ligchaams-Oefeningen’’ gepubliceerd. Aan de gymnastiek werd vanuit de gedachte van “gezonde geest in een gezond lichaam’’ een opvoedende waarde toegekend, en in 1862 werd gymnastiek in Amsterdam voor zowel jongens als meisjes op lagere scholen verplicht gesteld.
Onderwijzers konden zich in het vak bekwamen in een turnzaal aan de Westermarkt waar in 1863 de eerste Amsterdamse turnvereniging werd opgericht, Olympia. In de daaropvolgende jaren nam het turnverenigingsleven een hoge vlucht, maar een werkelijk goed geoutilleerd turngebouw ontbrak vooralsnog. Om hierin te voorzien werd de Maatschappij voor Turngebouwen opgericht die een bouwterrein verwierf aan de Nieuwe Passeerdersstraat. Hier kon de doelstelling van de maatschappij gerealiseerd worden: de exploitatie van “een turngebouw en een turnplaats met bijkomende inrichtingen als schermzalen, lokalen voor hygiënische, orthopaedische en geneeskundige gymnastiek, benevens het verhuren der woningen en lokaliteiten, die behalve de genoemde inrichtingen, in de gebouwen aanwezig kunnen zijn.’’
Het ontwerp werd geleverd door J. Ingenohl (1855-1925) en K.J. Muller (1857-1942); laatstgenoemde zou zelf van 1894 tot 1906 het voorzitterschap van het Nederlands Gymnastiek Verbond vervullen.
Op 19 november 1887 konden vier turnverenigingen in het nieuwe gebouw hun intrek nemen.
Het turngebouw bestaat uit een voorgevel aan de Nieuwe Passeerdersstraat en zijgevels aan respectievelijk de Marnixstraat en de Leidsekade. Hier kwamen ook de huurwoningen die de turnverenigingen van een solide financiële basis voorzagen.
Het gebouw werd opgetrokken in een stijl gebaseerd op de Hollandse renaissance. Typerend hiervoor waren de trapgevels en het kleurrijk materiaalgebruik, rode baksteen afgewisseld met blok- en bandwerk in natuursteen. Daarnaast zijn hier en daar spitse aan de gotiek ontleende(ontlastings)bogen gebruikt. De voorgevel bestaat uit door trapgevels bekroonde hoekpaviljoens aan weerszijden van een lager middengedeelte van acht door steunberen van elkaar gescheiden traveeën. Ook het middengedeelte heeft een trapgevel waarop een inscriptie “Rust roest’’ is aangebracht. In de hoekpaviljoens bevinden zich de door zuilen geflankeerde ingangen, waarboven “Turnzaal” staat geschreven. De lage aanbouw tussen de hoekpaviljoens, waarin nu de receptie van De Krakeling is gevestigd is van recenter datum. Oorspronkelijk diende die ruimte voor de opslag van gymnastiektoestellen.
De zijgevels zijn vijf traveeën breed; de gevel aan de Marnixstraat is voorzien van jaartalankers A 1887 O. De zijgevels worden afgesloten door trapgevelhuizen bestaande uit souterrain, vier verdiepingen en zolder.
De plattegrond is ontleend aan Duitse voorbeelden en vertoont de vorm van een U rondom een open binnenplaats waar buitenoefeningen gehouden konden worden. Het souterrain aan de zijde van de Marnixstaat was als bierkelder ingericht waar de Amsterdamsche Turners Sociëteit bijeenkwam.
De oorspronkelijke turnzaal had afmetingen van 39 bij 13 meter en was door een verplaatsbare wand in twee gedeelten opgesplitst. Alleen de linker turnzaal is nog intact. Bij het ontwerp van de zaal werd rekening gehouden met de plaats van de toestellen, het soort oefeningen en de (aan)looprichtingen. In de houten vloer zijn zelfs nog de bevestigingspunten van de turntoestellen te zien.
De zaal wordt aan drie zijden omgeven door houten, op consoles en korbelen rustende galerijen die voor het publiek waren bestemd. Vloer, lambriseringen en galerijen zijn uitgevoerd in Amerikaans grenenhout. De zaal wordt overdekt door een zogenaamd steekbalkenkap (in het Engels hammerbeamroof, een typische constructie voor kappen in de Engelse gotiek). Hierin bevinden zich twee luchtroosters met luiken die door middel van touwen bediend konden worden.
Op de wanden zijn in sierlijke gotische letters stichtende spreuken aangebracht: “Zeggen is goed, maar doen is beter”, “drie die elkander helpen, zijn machtig zes mans werk te tillen’’ en “als het hoofd zwiert, sukkelen de leden’’.
Klooster, O. van der en M. Bakker; Het Nieuwe Werck. De Jordaan: “Aan de voet van de OudeWester…’’, OMD 1997, pp. 117-121