Keizersgracht 670

Kruimelpad

Pad tot huidige pagina :
 

Keizersgracht 670

29 juli 2010

Keizersgracht 670 (na 1660)

Rijksmonument

keizersgracht 670 Niet lang na de nieuwe stadsuitleg van 1660 werd aan de Keizersgracht een aantal nieuwe woningen gebouwd. Een van die panden is het huis op nummer 670. Het pand staat in het bouwblok dat begrensd wordt door de Reguliersgracht, de Kerkstraat en de Vijzelstraat en maakt onderdeel uit van een rij van vijf ongeveer even hoge dubbelpanden met horizontale, verhoogde kroonlijsten, die vermoedelijk kort na elkaar werden gerealiseerd. Het is gebouwd als woonhuis, maar heeft lange tijd dienst gedaan als kantoor. Medio 2006 werd de laatste hand gelegd aan een grootscheepse restauratie waarna het weer geheel als woonhuis kon worden gebruikt.

 

Een negentiende-eeuwse voorgevel

detail voorgevelIn het Grachtenboek, dat wordt toegeschreven aan Caspar Philipsz, staat het pand afgebeeld als een dubbelpand met een brede voorgevel van maar liefst zes traveeën breed. Het pand verschilt daarmee van de belendende panden, die vijf traveeën breed zijn. De huidige zandstenen gevel is niet de oorspronkelijke maar dateert van 1876 en werd naar ontwerp van J.L. (Jan) Springer opgetrokken in opdracht van de nieuwe eigenaar, de effectenhandelaar J.K. Huijsinga. In het Gemeentearchief bevindt zich het ontwerp dat Springer tekende en dateerde (juni 1876) voor de aanvraag van de vergunning. In de nieuwe opzet verdween de stoep aan de buitenzijde en kwam de monumentale ingangspartij in de middentravee op straatniveau te liggen.

De gevel is opgebouwd uit een souterrain, een bel-etage en drie in hoogte afnemende verdiepingen onder een verhoogde kroonlijst. In de rijk versierde gevel zijn diverse steensoorten toegepast, waaronder Naamse steen, zandsteen en kunstzandsteen. Ook is cementpleister gebruikt. De licht naar voren springende middentravee bevat de ingangspartij met dubbele eikenhouten deuren en een halfrond bovenlicht met dun sierlijk smeedwerk. De entree wordt geflankeerd door twee Toscaanse zuilen op postamenten die een ondiep balkon met balustrade dragen. De vensters op de verdiepingen zijn omgeven door gebeeldhouwde vrouwelijke hermen, klauwstukken, kuifstukken en festoenen. Twee bacchanten dragen het rondvenster van de derde verdieping.

twee bacchanten dragen het rondvenster

Het onversierde hoofdgestel (architraaf, fries en kroonlijst) ligt over de breedte van de gevel en draagt een balustrade. De kroonlijst is afgezet met gietijzeren consoles waaraan in de middentravee een segmentvormig fronton ontspringt. Een grote console met de voorstelling van een leeuwenkop vormt de bekroning van deze verticale middenas.

Juweel

Ondanks enkele onbarmhartige twintigste-eeuwse ingrepen in het interieur is het pand op de bel-etage nog steeds een juweel van laatnegentiende-eeuwse architectuur en pronkzucht, zoals die alleen voor de meest veeleisende opdrachtgever door een begenadigd en veelzijdig ontwerper als Jan Springer tot een zo overtuigend geheel kon worden gesmeed. In mindere mate toont ook de eerste verdieping nog zijn negentiende-eeuwse interieur.

indruk beletage voorkamer


Een juweel van een inrichting

Inwendig werd het pand in 1876 grootscheeps verbouwd naar ontwerp van Jan Springer. Opdracht daarvoor gaf de nieuwe eigenaar, effectenhandelaar J.K. Huijsinga. Springer handhaafde de niveaus van souterrain en bel-etage en verving de stoep door een inwendige traphal. Het portaal in de middenas hal en trapvan het pand heeft een bordes met een brede witmarmeren trap naar het niveau van de bel-etage. Aan weerszijden van deze trap lopen twee vluchten naar het souterrain. Het trapportaal heeft een rijke versiering van classicistische ornamentiek. Boven een witmarmeren lambrisering zijn de gestucte wanden geleed door middel van pilasters die samengestelde kroonlijsten dragen. Het plafond is rijk geornamenteerd met lijstwerk van schouderbogen met Lodewijk XIV-krammen.

Achter het portaal wordt de middenas van het pand voortgezet in een lange gang, die uitkomt op een uitgebouwd trappenhuis dat een afgeronde achterzijde heeft. In dit achtertrappenhuis geven openslaande deuren toegang tot een klein balkon.

‘Oud-Hollandsche’- en renaissancevormen in een ‘woonkamer en suite’

Rechts op de bel-etage bevindt zich de kamer en suite, gescheiden door schuifdeuren. De aankleding ademt een geheel andere sfeer dan de entree en het trappenhuis, omdat hier ‘Oud-Hollandsche’- en renaissancevormen de boventoon voeren. De keuze voor een andere vormgeving in deze kamers benadrukt het meer besloten, privé-karakter van deze ruimten die Springer aanduidde als ‘woonkamer en suite’. De kamers zijn voorzien van manshoge eikenhouten lambriseringen met ebbenhouten ornamenten en zijdedamasten wandbespanning. Ze hebben een cassettenplafond met panelen in reliëf (met mascarons en arabesken). Het plafond van de achterkamer is gedecoreerd met twee familiewapens.

Een van de vertrekken heeft een grote schoorsteenpartij met roodmarmeren schoorsteenmantel en een weelderig vormgegeven houten boezem.

Tot twintig jaar geleden waren deze kamers nog grotendeels intact, maar enkele jaren geleden is de lambrisering in de voorkamer verwijderd en vervangen door een groene wandbespanning. In drie van de vier vertrekken zijn de negentiende-eeuwse haardkachels echter nog wel aanwezig. De schoorsteenpartij in de voorkamer rechts biedt plaats aan een tegeltableau met een landschap (gesigneerd ‘Westraven’), waarboven op de eigenlijke piramidale boezem een grote schildering in grisaille is aangebracht, gesigneerd ‘Atelier W.L. Walraven’.

In de tuinkamer rechts is de grote eikenhouten schoorsteenpartij verbonden met een omgaande wand van boekenkasten waarin tevens een secretaire is opgenomen. Deze boekenkasten zijn deels geconstrueerd van uit de voorkamer verwijderde delen van de lambrisering.

‘Salon en suite’

De kamers in de linker helft van de bel-etage werden door Springer in 1876 aangeduid als ‘Salon en suite’. Ze zijn zo ingericht dat ze een laatachttiende-eeuwse Louis XVI ‘salonsfeer’ oproepen. Dat effect wordt versterkt door een tot in de details nagebootste ornamentiek van superieure uitvoering. De ‘Salon en suite’ heeft een meer representatieve functie en maakte onderdeel uit van het voor gasten toegankelijke deel van de bel-etage. De vormgeving sluit daarom aan op die van het classicistische trapportaal. De achterkamer of ‘Salon’ is de grootste van het huis. De wanden zijn van onder tot boven voorzien van met goud beschilderde betimmeringen waarin boven de lage lambrisering vlakken met wandbespanning zijn aangebracht. De huidige kleurstelling van roomkleur en mintgroen met accenten in oker en veel goudverf benadrukt het feeërieke karakter van de zaal en sluit aan op dat van de voorkamer. De plafonds hebben beide als dominerend motief een grote, rijk geprofileerde ovale lijst. Boven de schuifdeuren zijn houten bas-reliëfs aangebracht met allegorische voorstellingen (o.a. muziek) in een zogenoemde goût à la grècque-vormgeving. Dit ontwerp ‘naar de Griekse smaak’ werd in de late achttiende eeuw voor het eerst toegepast, maar was vooral een eeuw later populair.

In het verlengde van de ‘Salon en suite’ bevindt zich een plantenkas of wintertuin.

beletage met het verlengde van de Salon en suite

Wintertuin

De aangebouwde wintertuin is een juweeltje dat niet dateert uit de tijd van Springer, maar van omstreeks 1900 na de verbouwing door Springer aan het gebouw werd toegevoegd. Hij ligt boven de ondiepe, achttiende-eeuwse tuinvleugel en bestaat geheel uit verschillende soorten glas dat in ijzeren sponningen en lood gevat is. De achterwand van de wintertuin bestaat uit houtpanelen. De vloer is belegd met een aardewerken mozaïek. Het dak is een bont gekleurd, gebogen afdak in glas in lood, dat zichtbaar wordt ondersteund door sierlijk vormgegeven gietijzeren korbelen. In het glas-in-loodwerk overheersen de kleuren groen en geel, en zijn voornamelijk blad- en bloemmotieven verwerkt. Het ontbreken van verwijzingen naar historische stijlkenmerken, die met de verbouwing door Springer in 1876 zo prominent waren aangebracht, maakt deze ruimte tot een product van Nieuwe Kunst van omstreeks 1900.

de Wintertuin, omstreeks 1900 aangelegd

Gang en trappenhuis

Bovenaan de trap in het voorportaal heeft de bezoeker goed zicht op de achterliggende, gestucte gang. De corridor is gestuct met een afwisseling van zuilen, pilasters en rondbogen. In de rondboegen zijn bas-reliëfs geplaatst met voorstellingen van putti en allegorieën van muziek, beeldhouwkunst, schilderkunst en poëzie. Aan het einde van de corridor markeert een rijk vormgegeven trappaal met een weelderige messing lantaarn het ovale trappenhuis. Het trappenhuis ontvangt daglicht via een groot glas-in-loodraam dat zich ter hoogte van het bordes halverwege de trap bevindt. Dat raam is gemaakt door Atelier ’t Prinsenhof uit Delft en is voorzien van bloemmotieven in transparant, groen, geel, blauw en rood glas-in- lood. De trap zelf heeft een leuning met messing smeedwerk met daarin rollende acanthusmotieven, kransen en vazen.

Literatuur

  V. Amende en A. Stoel, Wat gebeurt er met de keurblokken? Keurblokkenboek – deel 2, Amsterdam 1993

 D. van der Horst en Martin Pruijs, Van Gouden Eeuw naar Fin de Siècle: een tocht van Rembrandtplein naar Vondelpark, Amsterdam 1992 

 W. van Leeuwen, ‘Tussen droom en daad. Jan Springer als kwartiermaker van een visionaire architectuur’, De Sluitsteen 7 (1991), nr. 1, p. 3-23

 P. Spies e.a., Het grachtenboek. Vier eeuwen Amsterdamse grachten in beeld gebracht; gevel, interieurs en het leven aan de gracht, Den Haag 1991

 Willemien Dijkshoorn, Erik de Jong, Lodewijk Odé (red.), Amsterdamse grachtentuinen, Amsterdam 1997