Het kantoorpand Keizersgracht hoek Berenstraat is ontworpen door de restauratie-architect, activist en pleitbezorger van de historische schoonheid van Amsterdam, Abel Antoon Kok (1881-1951). Het pand geeft derhalve een instructief beeld van hoe Kok dacht over het inpassen van nieuwbouw in een historische omgeving.
A. A. Kok was van mening dat moderne bouwkunst in de binnenstad stevig geworteld moest zijn in de oude Amsterdamse bouwtraditie. Hij verkondigde zijn ideeën in het mede door hem opgerichte tijdschrift Heemschut en door overal in het land lezingen te geven. In het stadsarchief wordt de ‘Atlas Kok’ bewaard, zijn verzameling kaarten, tekeningen, bouwtekeningen, foto’s, prenten en prentbriefkaarten van Amsterdamse gebouwen.
Volgens Kok had de Amsterdamse architectuur veel van haar oorspronkelijkheid verloren toen in de achttiende eeuw de Franse Lodewijk-stijlen werden geïntroduceerd. In de negentiende eeuw bereikte de architectuur met de wildgroei aan historische stijlontleningen een absoluut dieptepunt. Hedendaagse architecten misten iedere houvast, terwijl “ook een weinig begaafde architect, steunend op beproefde tradities, iets goeds, en de begaafde architect iets schoons maakte’’.
Zijn ideaal was het doen herleven van de Amsterdamse “volkskunst’’ uit de periode 1625-1675. De architectuur uit die periode bood ook voor de huidige tijd nog voldoende aanknopingspunten voor verdere ontwikkeling. Uit de veelheid van ‘typisch’ Amsterdamse bouwstijlkenmerken distilleerde Kok twee hoofdprincipes die ook moderne architecten dienden te respecteren: de oude proportieschema’s en eerbied voor het ambachtelijke.
In 1935 kreeg Kok de kans zijn theorieën in de praktijk te brengen toen de firma William Koch en Co hem opdracht verleende voor de bouw van een nieuw hoekpand Keizersgracht/Berenstraat. Het pand bestaat uit een vier bouwlagen tellende vleugel aan de Keizersgracht, de Groote Beer geheten, met haaks daarop een iets lagere vleugel langs de Berenstraat, De Kleine Beer. Voor het ontwerp van de gevels baseerde Kok zich op een raster van kleine rechthoeken die hem hielpen een ‘oud-Amsterdams’ proportieschema te hanteren.
In het onderhuis was het magazijn gevestigd, een stoep bood toegang tot de kantoren. Beide vleugels worden gedekt door zadeldaken. De Groote Beer wordt aan de korte zijde afgesloten door een variant op de traditionele trapgevel. Andere ‘typisch Amsterdamse’ bouwstijlkenmerken zijn de per verdieping in hoogte afnemende vensters en de hoge stoep. Kok schreef dat men de stoep nergens zo veelvuldig en in eindeloze verscheidenheid tegenkwam als in Amsterdam. “De balusters van gegoten ijzer gaan in vormgeving met den wisselenden stijl mede, het profiel van de traptrede blijft honderden jaren onveranderd.” Ook de naamsgerelateerde reliëfs op de gevels zijn ‘oud-Amsterdamse’ stijlkenmerken:
een kapiteel in het basement van de gevel aan de Keizersgracht is versierd met de Amsterdamse keizerskroon, terwijl de twee kapitelen aan de gevel van de Berenstraat van berenreliëfs zijn voorzien. Op de hoek is een vrouwenhoofd met een gevleugelde Mercuriusstaf uitgebeeld. Eveneens traditiegebonden zijn de twee, door J.M. Veldheer vervaardigde gevelstenen aan de Berenstraat die handel en nijverheid symboliseren. Maar de figuren op de gevelstenen zijn wel in eigentijdse kleding gestoken, net zoals de gestileerde plantenmotieven in de deuromlijstingen onmiskenbaar twintigste-eeuws zijn. De strenge vlakmatigheid van het beeldhouwwerk en de robuuste natuurstenen omlijstingen verraden de invloed van Berlage.
In het interieur waren moderne voorzieningen aanwezig zoals centrale verwarming, een draaideur en een lift. Kok besteedde veel aandacht aan ambachtelijke afwerking want naar de mening van Kok werd het ambacht door de wetenschap geknecht. “Bouwkunstopleiding op de school met terzijdestelling van het ambacht zal nooit tot echte bouwkunst kunnen leiden. Dat wordt geen bouwen, maar monteeren’’.
Fraaie voorbeelden van ambachtelijkheid waren de in teakhout uitgevoerde trappen, vooral de bovenste trap, een spiltrap zonder de zogenaamde buitenbomen. Voor de aankleding van het interieur werden marmer en diverse houtsoorten toegepast De glazenier W. Bogtman leverde het gebrandschilderde glas.
Kok, A.A., Historische schoonheid van Amsterdam, Amsterdam 1941
Kok, A.A., Gids voor Amsterdam, Amsterdam 1947
Beek, M., "A.A. Kok; architect, activist en verzamelaar" in Ons Amsterdam 36 (1984), pp. 61-68
Beek, M., Drie eeuwen Amsterdamse bouwkunst. Catalogus architectuurtekeningen in de verzameling A.A. Kok, Amsterdam 1984
“Gebouw Keizersgracht hoek Berenstraat’’ in MA 23( 1936), pp. 75-76