
De Portugees-Israëlitische synagoge (de ‘Snoge’) is symbool van de glorietijd die de Amsterdamse sefardische gemeente beleefde in het laatste kwart van de zeventiende eeuw. Ze maakt, tezamen met de synagogen van de Hoogduitse gemeente deel uit van een uniek synagogencomplex in Amsterdam. Binnen dit geheel speelt de Snoge een speciale rol. Ze was indertijd de grootste ter wereld en heeft een belangrijke voorbeeldfunctie vervuld voor synagogen elders in de wereld. Uniek is ook dat het oorspronkelijke interieur met inrichting vrijwel gaaf bewaard is gebleven. De Snoge is de Tweede Wereldoorlog nagenoeg ongeschonden doorgekomen, onder andere omdat de Duitse bezetters plannen hadden na de oorlog in het gebouw een museum te vestigen van de verdwenen joodse cultuur.
De bibliotheek van het bij de Snoge behorende seminarium Ets Haim bevat een zeldzame collectie joodse boeken en handschriften. In 2004 is de bibliotheek op de Werelderfgoedlijst van de Unesco geplaatst.
De Snoge werd in de periode 1978-1993 in fasen geheel gerestaureerd. In 2007 is gestart met de voorbereiding van een nieuwe restauratie waarbij ook de openbare ruimte van het Mr Visserplein zal worden betrokken.
De joodse gemeenschap genoot in de zeventiende eeuw in Amsterdam een grote mate van vrijheid. Terwijl de joden elders in Europa in getto´s moesten wonen, kende Amsterdam geen dwang tot vestiging in een bepaalde wijk, noch een beperking van het aantal toe te laten joden. Ongetwijfeld speelde hierbij een rol dat de joodse gemeenschap door haar internationale handelscontacten een belangrijke bijdrage aan de economie kon leveren.
In 1639 betrok de sefardische gemeente Talmoed Tora een synagoge aan de Houtgracht (nu Waterlooplein). Aan de buitenzijde onderscheidde het pand zich door een voorname gevel met Corintische pilasters. De Talmoed Tora werd enkele malen met hoog bezoek vereerd. In 1639 bezocht Cosimo de Medici, groothertog van Toscane, de synagoge, gevolgd door een bezoek in 1642 door stadhouder Frederik Hendrik. Ook heeft de synagoge naam gemaakt door de hier uitgesproken banvloek over de filosoof Baruch de Spinoza.
De Talmoed Tora was een opstapje naar het grootse vertoon van synagogenbouw dat zich vanaf 1670 rondom het huidige J.D. Meijerplein ontvouwde. Dit was des te opmerkelijker als men bedenkt dat de katholieken bijvoorbeeld zich tot aan het einde van de achttiende eeuw moesten behelpen met huiskerken die aan de buitenzijde als zodanig niet herkenbaar mochten zijn. Nooit eerder hadden joden ongestoord dergelijke monumentale synagogen kunnen bouwen.
Bouwgrond was ruim voorhanden na de stadsuitbreiding van 1663. Aan de Houtgracht, ter plekke van een voormalige Sint Antonispoort, verrees in 1670-1671 de Grote Sjoel van de Hoogduitse Gemeente, gevolgd door de bouw van de Obbene Sjoel (1685), de Dritt Sjoel (1700/1778) en de Neie Sjoel (1750-1752). Tegenwoordig vormen ze de behuizing van het Joods Historisch Museum.
De sefardische gemeenschap kon niet achterblijven Ze was weliswaar veel kleiner dan de Hoogduitse gemeente (ze telde naar schatting 2300 leden), maar wel zeer kapitaalkrachtig.
In 1670 werd de eerste hoeksteen gelegd van de Snoge die qua afmetingen alle andere synagogen in de schaduw zou stellen. De bouw stagneerde tijdens het rampjaar 1672, en vervolgens door stormschade. Maar op 2 augustus 1675, op de sjabbat na de vastendag voor de verwoesting van de Tempel van Jeruzalem kon de Snoge in gebruik worden genomen. De inwijdingsplechtigheden duurden net als de Tempelwijding in Jeruzalem acht dagen.
De opdracht voor de bouw ging naar het ontwerp van Elias Bouman die al eerder betrokken was bij de bouw van de Grote Sjoel en ook al enige opdrachten voor joodse particulieren had uitgevoerd. De Snoge toont duidelijke verwantschap met enige eigentijdse protestantse kerken, zoals de Oosterkerk, eveneens van Bouman. Ook de Snoge vertoont de kenmerken van de zogenaamde ‘strakke stijl’: sobere ornamentiek, afgewogen proporties, strakke vormgeving en symmetrie. Het gebouw heeft een rechthoekige blokvorm waarvan de strakke lijnen ook niet verstoord worden door het dak dat door balustrades aan het oog wordt onttrokken. Ten behoeve van de symmetrie werd aan de beide korte zijden een ingang aangebracht, maar die aan de noordzijde is slechts een schijndeur. Zo ook hebben de bovenste vensters in de zijgevels geen functie omdat de houten gewelven van het interieur erachter schuilgaan.
Hoewel in bouwstijl niet afwijkend, moest de Snoge wel aan een aantal specifieke liturgische vereisten voldoen. Het interieur kent daarom een tweezijdige oriëntatie, op de teba (een verhoging vanwaar de eredienst wordt geleid en de Tora wordt voorgelezen) aan de westzijde, terwijl de hechal, een kast waarin de Torarollen worden bewaard, tegen de oostelijke muur is geplaatst, gericht op Jeruzalem. De banken werden in de lengte opgesteld zodat de gemeenteleden in twee groepen tegenover elkaar zaten en vanaf hun plaats zowel teba als hechal konden zien. Verder moest de bouwmeester zorgen voor een strikte scheiding tussen vrouwen en mannen. Een aparte opgang leidde naar de vrouwengalerijen die door rasterwerk van de hoofdruimte werden afgeschermd.

Ook symboliek speelde een rol. Het gebouw roept herinneringen op aan de in het jaar 70 n.C. verwoeste Tempel van Salomo in Jeruzalem. Op basis van beschrijvingen werden ervan in de loop van de tijd vele hypothetische reconstructies gemaakt, waaronder het tempelmodel uit 1642 van de Hollandse sefardische rabbijn Jacob Juda Leon, bijgenaamd Templo. Dit model heeft veel invloed uitgeoefend, ook op protestantse kerkbouw, zoals de door Jacob van Campen ontworpen Nieuwe Kerk in Haarlem. Een replica van het model is te zien in het Bijbels Museum, Herengracht 366-368. De meest specifieke verwijzing naar de Tempel volgens Jacob Juda Leon zijn de enorme naar buiten uitzwenkende voetstukken van de vier steunberen aan de achterzijde van de synagoge. Ze zijn daar in 1773-1774 aangebracht, nadat het tempelmodel van Jacob Leon in 1771 voor het eerst sinds lange tijd weer aan het licht was gekomen
Het interieur bestaat uit drie met houten tongewelven overdekte beuken van ongeveer gelijke hoogte. De middenbeuk rust op vier geweldige Ionische zuilen; de vrouwengalerijen boven de zijbeuken rusten op twaalf kleinere zuilen, eveneens van de Ionische orde. De originele glas-in-lood ramen zijn in 1852-1854 vervangen door gietijzeren vensters.

De teba en de hechal zijn van Braziliaans hardhout gemaakt. Het hogere middendeel van de hechal is voorzien van de wetstafelen. Aan de binnenzijde is de kast bekleed met het oorspronkelijke dieprode goudleer behang waarop bloemmotieven zijn aangebracht. .
Het interieur wordt verlicht door de oorspronkelijke 26 koperen kronen die 300 kaarsen kunnen bevatten. De grote kronen werden zo mooi gevonden dat er kopieën van zijn gemaakt voor de Nieuwe Kerk op de Dam. In de meest oostelijke grote kroon is het ‘ner tamied’ opgenomen, het eeuwig brandende licht dat herinnert aan de zevenarmige kandelaar in de Tempel. De vloer van de Snoge is van grenenhout en wordt nog altijd bestrooid met fijn zand, zoals dat vroeger gebruikelijk was en dat, naar men zegt, symbolisch verwijst naar de tocht van de joden door de woestijn.
Tot de synagoge behoren ook les-en studielokalen, een bibliotheek, bestuursvertrekken en woningen. Deze functies zijn ondergebracht in de lage gebouwen die de synagoge en voorplein aan drie zijden omgeven. In het noordoostelijke hoekgedeelte, onder de huidige ontvangstruimte bevond zich het mikwe (rituele bad). Aan de kant van het Jonas Daniël Meijerplein bevindt zich de kleine wintersynagoge, omdat de Snoge ’s winters te groot en te koud is. Van bijzonder belang is de bibliotheek van het seminarium Ets Haim (‘Boom des Levens’), de Livraria Montezinos, een van de belangrijkste joodse bibliotheken in de wereld. De collectie bestaat uit 30.000 gedrukte werken vanaf 1484, en 500 handschriften waarvan het oudste uit 1282 dateert.
Belinfante, J. C. E, Voolen, E. van der e.a., De Snoge. Monument van Portugees-joodse cultuur, Amsterdam 1991
Stoutenbeek, J. en P. Vigeveno, Joods Amsterdam, een cultuurhistorische gids, Amsterdam 1997
Klooster, O. van der en M. Bakker, ’t Costelijck ambacht. Monumenten als spiegels van vakmanschap, Amsterdam 1998 (OMD 1998), 51-56