Industria

Kruimelpad

Pad tot huidige pagina :
 

Industria

29 juli 2010

Het gebouw Industria (1913-1916)

Dam 27

Foeke Kuipers

Rijksmonument

industria450.jpg (26 Kb) 

In 1913 werd in Amsterdam de ‘De Industrieele Club’ opgericht met als doel een ontmoetingsplaats te creëren voor mensen uit het bedrijfsleven. Drie jaar later kon de club haar intrek nemen in het eigen sociëteitsgebouw Industria, gelegen op de Vijgendam, hoek Dam en Rokin. Het gebouw was ontworpen door de architect Foeke Kuipers die ook de inrichting van het interieur voor zijn rekening nam. In 2001 kreeg het gebouw de status van rijksmonument.

De Industrieele Club

De ‘Industrieele Club’ stelde zich als doel in het bijzonder de belangen van fabrikanten en ondernemers op het gebied van nijverheid en verkeer te bevorderen. De ‘nouveaux riches’ van de industriële ondernemingen voelden zich niet echt welkom bij de in 1872 geopende, en vanouds op handel en koopmanschap georiënteerde Groote Club, iets verderop, eveneens aan de Dam gelegen op de hoek met de Kalverstraat. Het nieuwe ‘clubgebouw’ zou daarbij als ‘beurs’ fungeren om, zoals de statuten het formuleerden, ‘de aanraking tusschen de leden onderling en van hen met derden tot stand te brengen en te onderhouden’.  

gebouw waar de voormalige Groote Club was gevestigd

Amsterdam kende vanaf het laatste kwart van de negentiende eeuw een grote economische opleving. Sinds de opening van het Noordzeekanaal (1876) en van het Centraal Station (1889) was de Amsterdamse binnenstad weer als vanouds het financiële en economisch hart van Nederland. Nieuwe handelshuizen, banken en verzekeringsmaatschappijen vestigden hun kantoren aan de grachtengordel en langs de assen Koningsplein-Leidseplein en Damrak-Rokin-Vijzelstraat en langs de nieuwe Raadhuisstraat. Ook andere takken van de dienstverlenende sector bloeiden op, en in de binnenstad concentreerden zich drukkerijen, dagbladen, warenhuizen, horeca, hotels en veilinghuizen. De locatie van de Industrieele Club was ideaal, langs de belangrijke route naar het Centraal Station en op een steenworp afstand van de Beurs van Berlage aan het Damrak, het epicentrum van de economische bedrijvigheid.

In 1975 is de Industrieele Club gefuseerd met de Groote Club. Zo ontstond de ‘Industrieele Groote Club’ die tot op de dag van vandaag het gebouw in gebruik heeft. Het gebouw fungeert nog steeds als zakelijk tref-  en ontmoetingspunt, maar afzonderlijke ruimten worden ook voor speciale bijeenkomsten verhuurd.

De bouw van Industria

De initiatiefnemers tot de oprichting van de ‘Industrieele Club’ verspreidden in april 1913 een circulaire onder bedrijven in het hele land. Daarop kwamen zoveel reacties dat reeds in mei van dat jaar besloten werd een sociëteitsgebouw te laten bouwen. Als architect werd Foeke Kuipers (1871-1954) benaderd. Kuipers had reeds uitgewerkte ontwerptekeningen klaarliggen voor een kantoorgebouw die hij een jaar eerder had gemaakt in opdracht van een firma in effecten. De bouw daarvan was om allerlei redenen niet doorgegaan, maar de tekeningen kwamen nu alsnog van pas.

Foeke Kuipers was een architect met veel ervaring in utiliteitsbouw. In Amsterdam bestond toentertijd hiervoor een grote markt. Kuipers had een sterk op de praktijk gerichte opleiding genoten aan de Quelliniusschool, een kunstnijverheidsschool opgericht door P.J.H. Cuypers om ambachtslieden te kweken voor de bouw van het Rijksmuseum. Tot zijn leraren behoorden onder anderen J.F. Klinkhamer en H.P. Berlage. Na zijn opleiding werkte Kuipers achtereenvolgens op het bureau van Klinkhamer en C.B. Posthumus Meyjes. Zijn eerste opdracht als zelfstandig architect was, in samenwerking met zijn broer Roelof Kuipers, het ontwerp voor het pakhuiscomplex van het Nederlandsche Veem aan de Van Diemenstraat (1899). Daarna volgden ontwerpen voor onder andere  een kantoor annex pakhuis aan de Prinsengracht 812, een rijwielmagazijn in de Falckstraat, een sigarenfabriek aan de Nieuwezijds Voorburgwal en de verbouwing van een aantal hotels (onder andere Krasnapolsky en Doelenhotel). In 1927 ontwierp hij het AMVJ-clubgebouw aan het Leidsebosje, hoek Vondelstraat (nu een hotel). Gebouw Industria geldt echter als zijn onbetwiste hoofdwerk.

Kuipers ontwierp niet alleen het gebouw, maar was ook verantwoordelijk voor de aankleding van de vertrekken. Door de aldus verkregen eenheid tussen architectuur en inrichting behoort Industria tot het illustere rijtje gebouwen uit de vroege twintigste eeuw die als een ‘gemeenschapskunst’ zijn ontworpen, waarbij kunst en kunstnijverheid de architectuur ondersteunen en accentueren. Voorbeelden daarvan zijn onder andere de Beurs en het ANDB-gebouw van Berlage, het Scheepvaarthuis van Van der Mey en het gebouw van de NHM van De Bazel.

interieur van de societeitsruimte

Zo voorspoedig de voorbereidingen waren verlopen, zo stroef kwam het gebouw daadwerkelijk tot stand. Het eerste onvoorziene obstakel was dat men bij graafwerkzaamheden op de middeleeuwse sluismuren stuitte van de dam in de Amstel. Vervolgens waren het achtereenvolgens een staking van betonwerkers en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog die roet in het eten strooiden. Op 8 januari 1916 kon het nieuwe clubgebouw eindelijk in gebruik worden genomen.

Een gebouw met kwaliteit

Industria verrees op een moment dat de Dam grote veranderingen onderging. Tot aan het begin van de twintigste eeuw waren de Nieuwe Kerk en het door Jacob van Campen ontworpen stadhuis, het huidige Koninklijk Paleis, de enige grote gebouwen aan de Dam. In 1908 werd een prijsvraag uitgeschreven om het plein te verfraaien met een coherente bebouwing die een passend decor vormde voor het Paleis. De plannen zijn nooit uitgevoerd, maar wel verrezen in de daaropvolgende jaren in hoog tempo gebouwen die in schaal en grootsteedse allure een tegenwicht boden aan het Paleis: magazijn De Bijenkorf, de in 1912-1914 verbouwde Groote Club, kledingmagazijn Peek & Cloppenburg en het gebouw Industria.

Voor het ontwerp van Industria liet Kuipers zich inspireren door de één blok verderop gelegen Beurs van Berlage. Ook Industria is opgetrokken uit baksteen afgewisseld met  natuurstenen elementen en sculptuur die zorgvuldig in het gevelvlak zijn weggewerkt. De gevelornamentiek en architectonische geledingen zijn onafhankelijk van enige historische stijl vormgegeven. Illustratief in dit verband is een vergelijking met het ongeveer uit dezelfde periode daterende gebouw van de Bijenkorf, recht tegenover Industria , dat in vorm en ornamentiek nog zwaar op historische voorbeelden leunde. Een andere overeenkomst met de Beurs is dat elk van de vier gevels, afhankelijk van de stedenbouwkundige context, anders is vormgegeven. Een toren met koperbeklede bekroning verdeelt de hoofdgevel in twee onderling sterk verschillende gevelvlakken. Het gedeelte ter linkerzijde heeft een puntgevel die al een inleiding vormt op de gevels van de woonhuizen aan de Damstraat, het terugliggende gevelvlak rechts heeft een enorm schilddak dat refereert aan dat van het Paleis op de Dam. De hoekerker met koperen dak begeleidt de overgang van de Dam naar het Rokin. De rustige, symmetrische zijgevel harmonieert met die van het gebouw van Peek & Cloppenburg aan de overzijde van de straat. De zuidgevel met de drie puntgevels werd op haar beurt in overeenstemming gebracht met de toen nog gave historische bebouwing van koopmanshuizen aan het Rokin. Het balkon van de middelste gevel keek uit over het water. Het effect van de gevel als fraai sluitstuk van het water is met de demping van het Rokin in de jaren dertig van de vorige eeuw echter verloren gegaan.

Het natuurstenen basement, waarin winkels achter grote rondbogige vensters zijn ondergebracht, vormt het bindend element van de onderling zo verschillende gevels. Ook de cordonlijst tussen eerste en tweede verdieping en de gevelafsluiting zijn in natuursteen uitgevoerd en omspannen het gehele gebouw. Het beeldhouwwerk op de begane grond is naar het voorbeeld van Berlage´s Beurs in het muurvlak opgenomen. Zeepaardjes in de gekoppelde vierkante zuilen bij de ingang aan het Rokin, schepen en een arm met een hamer met daaronder het opschrift Industria op de hoek van Dam en Rokin, verwijzen naar de nijverheid en de handel.

De reacties op het gebouw Industria waren zeer lovend. De architectuurcriticus J.A. Graafland merkte direct na voltooiing op: “Zeer zeker vraagt het gebouw ‘Industria’ van den architect Foeke Kuipers aller aandacht, vooral omdat het zoo nauw in verband staat met de veelbesproken Dambebouwing. Ofschoon het een grote tegenstelling vormt met het meesterstuk van Jacob van Campen, harmonieert het gebouw er zeer wel mede en stoort het de aesthetische gevoelens niet. Zeer te betreuren is het dat niet alle gebouwen in deze omgeving dezelfde kwaliteit bezitten (....). De verschillende interieurs van het gebouw `Industria´ getuigen van een wel doordachten en zuiveren smaak en ligt in elk interieur afzonderlijk uitgedrukt, waartoe elke localiteit dienstig is. Het is dan ook voor een bouwmeester een zeer dankbare taak de tenuitvoerbrenging èn van het gebouw èn van het interieur in zijn hand te hebben”.

Interieur

Industria was destijds een modern gebouw, voorzien van onder andere een luchtverversingsysteem, elektrische verlichting en van twee (nog steeds aanwezige) liften met schuifdeuren. Om de exploitatie van het gebouw rendabel te maken, werden op de begane grond winkelruimtes en op de bovenverdieping kantoorruimtes verhuurd. De drie middenverdiepingen werden door de Industrieele Club in gebruik genomen. De door Foeke Kuipers ontworpen inrichting is deels intact gebleven. Behalve de nagelvaste onderdelen als parketvloer, houten lambriseringen  en plafonds, zijn ook diverse in decoratief smeedijzer uitgevoerde lampen en- hekjes, dito glas-in-loodschermen en het meubilair nog oorspronkelijk. Hoewel iedere zaal een eigen karakter heeft gekregen, bestaat er ook een grote mate van overeenstemming tussen de zalen onderling door onder andere de telkens terugkerende houten lambriseringen, glas-in-loodramen en plafonds met vierkante velden.

entree van de Industriele Groote Club

De kern van het gebouw wordt gevormd door de ingangshal en het over alle verdiepingen doorlopende trappenhuis. De oorspronkelijke ruimtewerking is echter verloren gegaan sinds het trappenhuis op de bovenverdiepingen op voorschrift van de brandweer is dichtgemaakt. De kolommen van het trappenhuis zijn van gewapend beton en bekleed met rijk gedecoreerde blauwgijze keramische tegels. In de kapiteelbekleding zijn aan zaden knabbelende muisjes verwerkt. De balustrades bestaan uit in één stuk gebakken ajourelementen in de vorm van een mattenklopperachtig vlechtwerk en hebben dezelfde rijke vormgeving als die van de balkons aan voor- en achtergevel. 

De grote L-vormige sociëteitszaal is het voornaamste vertrek op de eerste verdieping. De betimmering bestaat hier uit palissanderhout ingelegd met ebbenhouten panelen, terwijl de wanden daarboven met donker velours zijn overtrokken. De ingebouwde schouw is van marmer. Naast de clubzaal bevindt zich de bar. De tap stond oorspronkelijk tegen de zijwand aan, waar zich nu nog de ingebouwde glazen kastjes bevinden waarin de leden hun eigen glaasje hadden staan. De oorspronkelijke tap is naar de Damzaal op de derde verdieping overgebracht. De aangrenzende eetzaal is goed bewaard gebleven. Ze bood destijds prachtig uitzicht over het water van het Rokin. De eetzaal stond via een lift in verbinding met de keuken op de derde verdieping.

Op de eerste verdieping bevond zich verder een rechthoekige leeszaal waarvan de consoles die de gewelfribben ondersteunen de vorm van lezende figuurtjes hebben gekregen. De leeszaal werd geflankeerd door een bestuurskamer en een dameskamer waar een bureau en enkele ronde leestafeltjes stonden. 

De tweede verdieping wordt gedomineerd door de grote vergaderzaal die aan ruim 400 mensen plaats bood. In de wanden bevonden zich opbergkastjes voor de leden. Bovenin de wanden zijn de ventilatieroosters te zien. 

De derde verdieping heeft in de loop der tijd de meeste veranderingen ondergaan. Oorspronkelijk bevonden zich hier de kleine conferentiekamer, rust - en badkamers, en een biljartzaal. Hier kwam ook een bibliotheek waarvan de kern werd gevormd door de ruim 1700 boeken die in1916 van de Technisch Leesbibliotheek overgenomen konden worden.

Van dit alles rest niet veel meer. Het beste bewaard gebleven op deze verdieping is de zogenaamde Damzaal met de houten betimmering rondom.

Literatuur

Karstkarel, P., en R. Terpstra, "De gebroeders Kuipers, architectuur in een overgangstijd", in Wonen-TABK, 1972, nr. 2, pp. 5-15

"Foeke Kuipers, architect te Amsterdam" in Bibliotheek voor de moderne Hollandsche architectuur, deel 2, afl. 1, Delft, 1916

`Foeke Kuipers, 70 jaar’ in Bouwkundig Weekblad, 6 september 1941, p. 297 e.v.

Vos, C., `Sociëteitsleven op de Dam’, Ons Amsterdam 55 (2003), pp. 20-24

Verbrugge, Bart D., "Keramiek in de Amsterdamse Architektuur 1880-1940", in: Amsterdamse Monumenten, deel 2, Amsterdam 1984, p. 32