Huize van Brienen

Kruimelpad

Pad tot huidige pagina :
 
h284-ani-01.gif (99 Kb)

Huize van Brienen

29 juli 2010

Huize van Brienen (1728)

Herengracht 284  

Rijksmonument

 

Herengracht 284

Huize van Brienen is een van oorsprong zeventiende-eeuws koopmanshuis dat in 1728 tot een deftig woonhuis werd verbouwd. Speciale aandacht ging uit naar die elementen die in het bijzonder de representatie ondersteunden: de gevel en de zaal in het achterhuis. Beide elementen zijn in vrijwel ongewijzigde staat bewaard gebleven, waardoor Huize van Brienen tot de belangrijkste grachtenpanden uit de vroege achttiende eeuw gerekend kan worden.

Geschiedenis

Huize van Brienen kwam in de plaats van het pand De Stadt Praegh, dat tegelijkertijd met het buurhuis Herengracht 282, omstreeks 1620 werd gebouwd. De huizen waren van gelijke opzet, met trapgevel en een breedte van vier traveeën.

tekening uit het GrachtenboekIn 1728 werd De Stadt Praegh gekocht door David Rutgers en zijn zusters Hillegonda en Margaretha, telgen van een doopsgezind koopmansgeslacht. Ze zijn vrijwel direct tot grootscheepse verbouwing overgegaan. Het gehele huis werd in Lodewijk XIV-stijl gemoderniseerd. De voornaamste ingrepen betroffen een hogere en nieuwe natuurstenen voorgevel, de uitbreiding met een trappenhuis en een achterhuis met zaal en tuinhuis. De kern van het zeventiende-eeuwse pand, de muren, balklagen, vloeren en kap, bleef echter onaangetast.

In 1781 kwam het huis in bezit van de katholieke koopman Arnoud Jan van Brienen, ambachtsheer van de Groote Lindt. Zelf woonde hij in het pand Herengracht 182, het huis op nummer 284 schonk hij aan zijn zoon Willem Joseph van Brienen ter gelegenheid van diens huwelijk met Margaretha van Schalkwijk. Het huis bleef familiebezit tot 1933. Toen schonk een nazaat van Van Brienen het pand met een gedeelte van het meubilair aan de Vereniging Hendrick de Keyser. Voorwaarde was dat de indeling van het huis zoveel mogelijk intact zou blijven en het pand Huize van Brienen zou blijven heten. Vanaf omstreeks 1960 is het huis in fasen gerestaureerd. In 1997 was de zaal aan de beurt waarvan de restauratie een jaar later, op 17 januari  1998 werd voltooid. Daags erna bestond de Vereniging Hendrick de Keyser precies 80 jaar.

De gevel

De architect van de verbouwing van 1728  heeft aanzienlijke moeite moeten doen om het vroeg zeventiende-eeuwse pand aan te passen aan de esthetische normen van zijn tijd. Het aantal vensterassen werd van vier teruggebracht tot drie, met grotere ramen waarvan de omvang  naar boven toe in proportie afneemt. Vermoedelijk werd met het oog op de maatverhoudingen van de ramen de zolderverdieping aan de voorzijde verhoogd.

De gebroken contour van de trapgevel werd vervangen door een rechte gevelafsluiting. Hierdoor ontstond een regelmatig rechthoekig gevelvlak. Plint en basement, ononderbroken doorlopende hoekpilasters en de attiek vormden de omlijsting van een symmetrische gevelcompositie. De enige en onvermijdelijke dissonant in dit symmetrische schema was de situering van de deur in het linker travee. De geringe breedte van het huis stond het niet toe om de gang, en dus ook de deur, in de middenas te plaatsen. Om toch het principe van de tweezijdige symmetrie zoveel mogelijk in stand te houden, kreeg de deur in de gevelcompositie een onopvallende rol toebedeeld en werd in vorm en maatvoering aansluiting gezocht met het corresponderende raam in het rechter travee. Alle aandacht gaat dientengevolge uit naar de iets naar voren geplaatste, concave middenas met  beeldhouwwerk in de vorm van bloemen, vruchten, en voluten. De elegante uitvoering van het beeldhouwwerk is kenmerkend voor de tweede periode van de Lodewijk XIV-stijl (Régence). De concave vorm is voortgezet in de kroonlijst en de attiek met opzetstuk in het midden. Het belang dat aan consequent doorgevoerde symmetrie werd gehecht blijkt ook uit het feit dat slechts één van de twee hijsbalken als zodanig dienst deed. De ander is zuiver omwille van de symmetrie aangebracht.

kroonlijst met opzetstuk in het midden

Gang en trappenhuis

gangDe plattegrond vertoont de gebruikelijke indeling van een smal grachtenhuis. Voor- en  achterhuis zijn van elkaar gescheiden door een tussenlid met trappenhuis en binnenplaats. De gang loopt vanaf de ingang langs de voor- en achterkamer van het voorhuis door tot aan het trappenhuis. De bouwmeester heeft de gang de suggestie van symmetrie gegeven door telkens tegenover de dubbele deuren naar de kamers schijndeuren aan te brengen. De gang heeft marmeren vloertegels en marmeren lambrisering. Het stucwerk langs de wanden en op het plafond is vermoedelijk in de eerste helft van de negentiende eeuw verwijderd. De voortekeningen in rood krijt zijn echter onder de verflagen nog aanwezig. Pilasters en de in verdiepte wandvlakken geplaatste deuren en schijndeuren gaven een ritmische onderverdeling van de gang in afwisselend bredere en smallere wandvlakken.

dwarsdoorsnede 

Het trappenhuis met lichtkoepel heeft een monumentale, wenteltrap met fraai gesneden balusters. In de wandnis van de binnenplaats tegenover de trap staat een lindenhouten beeld van een vrouw met wierooksvat, de Godsvrucht verbeeldend. De ooievaar aan haar voeten duidt op de ouderliefde. De oorspronkelijke gemakken op de binnenplaats zijn nog aanwezig.

De zaal

binnenplaatsDe binnenplaats vormt een opmaat tot het belangrijkste vertrek, de zaal op de eerste verdieping van het achterhuis. Op de begane grond bevonden zich een kleine kamer aan de zijde van de binnenplaats en een eetkamer aan de zijde van de tuin. De zaal, voorafgegaan door een garderobe, besloeg de volle breedte van het perceel en keek met drie grote vensters uit over de tuin. Rondom zijn lambriseringen en geschilderde behangsels aangebracht. De landschapsschilderingen op de wanden zijn van de hand van Dirk Dalens III (1688-1753). Antonie Elliger (1701-1781) schilderde het plafond en het schoorsteenstuk. De hoekstukken bleken, zo kwam tijdens de restauratie van 1997 aan het licht, van de hand van Dalens te zijn, behoudens één, die Elliger had geschilderd.

Zaal met landschapsschilderingen

Architectuur, schilderingen en snij- en stucwerk creëren tezamen een schitterend decor. De optische illusie speelt ook in de zaal een grote rol. De bezoeker wordt in het ongewisse gelaten waar schijn en werkelijkheid in elkaar overlopen. De architectonisch constructieve onderdelen zijn grotendeels weggemoffeld: de hoeken gaan schuil achter schuine tussenwanden, het zeventiende-eeuwse balkenplafond  is door de koof en het zolderstuk aan het oog onttrokken. De schouwpartij vormt de spil van de inrichting en is opgebouwd uit een marmeren mantel, spiegel en schilderstuk gevat in een omlijsting van rijk houtsnijwerk. Het schoorsteenstuk, gesigneerd A. Ellinger en gedateerd 1733, toont de Vestaalse Maagden die het vuur van de tempel brandende houden en wederom een vrouw met wierookvat, symbool van de godsvrucht. De Vesta tempel is als een open ruimte voorgesteld waardoor de offerrook direct opstijgt naar de open hemel die zich op het plafondstuk ontvouwt. Hier zijn de Olympische goden en hun gevolg uitgebeeld die symbolen van zeevaart, handel en welvaart vasthouden. In de hoekstukken zijn de vier elementen in grisailles geschilderd waardoor ze duidelijk onderscheiden zijn van de voorstelling in het centrale gedeelte. Het beeldprogramma wordt gecompleteerd door allegorische voorstellingen van de vier jaargetijden en de vier levensfasen op de afgeschuinde hoeken.

deurtje open

deurtje dicht
Latere veranderingen en restauratie

De achterkamer kreeg aan het eind van de achttiende eeuw een nieuw plafond en betimmeringen in Lodewijk XVI-stijl. Omstreeks 1830 werd de inrichting van de voorkamer veranderd. Het geschilderde plafondstuk werd verwijderd en vervangen door een effen, gespannen doek. Van de porte-brisée en van de houten lambrisering werd al het ornamentwerk verwijderd. In dezelfde periode moet het stucwerk uit de benedengang zijn weggehaald. In de zaal werd de houten lambrisering verhoogd en de deur, die voorheen in de beschilderde wandbespanning was weggewerkt, werd vervangen door een houten paneeldeur.

In 1997 werd de zaal gerestaureerd onder leiding van architect W. Kramer. B. Jonker voerde het kleuronderzoek uit en H. van Weide restaureerde de schilderingen. Het kleuronderzoek wees uit dat de betimmering van de zaal oorspronkelijk niet een roomwitte, maar een roodbruine kleur had, terwijl de schilderingen van vergulde lijsten waren voorzien. Tijdens de restauratie werd de oorspronkelijke kleurstelling, inclusief verguldsel teruggebracht. Ook werd besloten de schildering op de deur te reconstrueren.