Herengracht 474

Kruimelpad

Pad tot huidige pagina :
 

Herengracht 474

9 augustus 2010

Herengracht 474 (1756, verbouwing 1890)

Rijksmonument

Herengracht 474, Erfgoedhuis

Het grachtenpand Herengracht 474 werd in 1950 in gebruik genomen door het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) dat voorheen op Herengracht 479 was gevestigd. In het tuinhuis heeft prof. L. de Jong jarenlang gewerkt aan zijn standaardwerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog.

Inmiddels is het RIOD (thans NIOD) verhuisd naar Herengracht 380-382. Het huis is nu eigendom van het Prins Bernardfonds dat zelf kantoor houdt in het buurpand Herengracht 476. Sinds 1997 is Herengracht 474 als Erfgoedhuis in gebruik genomen, waarin onder andere de Stichting Open Monumentendag  en het Nationaal Contact Monumenten zijn gehuisvest. Deze laatste is in 2007 opgegaan in Erfgoed Nederland.

Een huis aan de Gouden Bocht

achtergevelHerengracht 474 werd in 1669 gebouwd door de uit Rijssel (Lille) afkomstige koperslager Marcus Muyssart. Hij stierf voordat het huis gereedkwam, waarna zijn echtgenote het alleen betrok. Het was een van de eerste huizen die aan de Gouden Bocht verrezen. Het stond daarom enige tijd geheel geïsoleerd. Terwijl de meeste huizen aan de Gouden Bocht op dubbele erven werden gebouwd, is Herengracht 474 een enkel huis dat drie traveeën telt. Zoals te zien op het bekende schilderij dat Gerrit Adriaensz. Berckheyde in 1685 van de Gouden Bocht maakte, had het pand een verhoogde halsgevel versierd met de zogenaamde ossenogen ("oeuils-de-boeuf "), festoenen en met een jaartalsteen 1669.

 
 
Verbouwing 1756

In 1756 werd het pand bijna onherkenbaar verbouwd. De toevoeging van een verdieping was aanleiding om de halsgevel te vervangen door een zandstenen lijstgevel in de toen gangbare Lodewijk XV-stijl. Ook van de gevel na deze verbouwing bestaat een eigentijdse afbeelding, een gravure in het Grachtenboek van Caspar Philips uit 1768. Het pand telde vier verdiepingen op een plint en met een afsluitende kroonlijst op consoles en een open balustrade met opzetstuk. De middenas werd benadrukt door onder andere een fraaie omlijsting van het raam van de bel-etage in de vorm van pilasters, sluitstenen en gebogen fronton. De ingang, die in verband met de geringe breedte van het pand niet in het midden maar in de linker travee werd geplaatst, kreeg daarentegen een onopvallende afwerking 

buste in de gangHet huis vertoonde de gebruikelijke indeling van een smal grachtenhuis: een voor- en achterhuis, van elkaar gescheiden door een binnenplaats en een trappenhuis.  Een marmeren gang liep langs beide kamers van het voorhuis. Boven de deuren prijkten vrouwenbustes. Ter wille van de symmetrie waren in de bouwmuur tegenover de deuren schijndeuren aangebracht.

Verbouwing 1890

In 1890 onderging het pand nogmaals een grote verbouwing. Daarbij verdween de stoep en werd de ingang naar het onderhuis verplaatst. Tegelijkertijd kreeg de gevel een nieuwe hardstenen pui terwijl de ramen met hun achttiende-eeuwse roedeverdeling plaats maakten voor T-vensters. De karakteristieke raamomlijstingen, de kroonlijst en de attiek bleven echter ongewijzigd.

indruk van het huidige trappenhuis

De verplaatsing van de ingang had gevolgen voor de interieurindeling. Het trappenhuis moest nu naar het souterrain worden doorgetrokken. In stijl werd aansluiting gezocht met het oude gedeelte van het  Lodewijk-XV trappenhuis. Het stucwerk vertoont  siermotieven en C-krullen en in de gang werd een in hout gesneden gordijn met gouden kwasten aangebracht. Bovenin het trappenhuis is nu een plafondschildering van Jacob de Wit te zien. De schildering, gedateerd 1721, bevond zich oorspronkelijk waarschijnlijk in de zaal van het huis.

indruk van de gangDoor de verplaatsing van de ingang kon de voorkamer op de bel-etage de volle breedte van het pand in beslag nemen. Ook dit vertrek kreeg een historiserende aankleding in de vorm van marmeren schouw met grote spiegel, groene panelen met rococo-motieven en deurstukjes met putti. De binnenkamer werd in neo-Empire stijl uitgevoerd. De schoorsteenboezem werd verfraaid met Ionische pilasters en het plafond kreeg een sierlijst met bladmotieven. Ook de zaal in het achterhuis werd in neo-Empire stijl heringericht.

Na de oorlog

Toen het RIOD het pand in 1950 betrok, was het reeds lange tijd verwaarloosd. In een slaapkamer groeide zelfs een klimop binnen. Ter herinnering hieraan werd tijdens de restauratie op dezelfde plaats een plastic klimop aangebracht.  In 1979-1982 werd wederom een grote restauratie uitgevoerd, waarbij de situatie van 1890 als uitgangspunt werd genomen.