De Engelse Episcopale gemeente of de Anglicaanse kerk (Church of England) in Amsterdam werd in 1698 gesticht. Anders dan de Engelse presbyteriaanse gemeente die op calvinistische grondslag was gebaseerd, kon de Engelse Episcopale Gemeente niet op bijzondere gunsten van de stad rekenen. Daarvoor vertoonde het kerkgenootschap in de ogen van het stadsbestuur teveel overeenkomsten met het katholicisme. Terwijl de Engelse presbyteriaanse gemeente al in 1607 de beschikking had gekregen over een kerk op het Begijnhof, moest de episcopale gemeente zich tevreden stellen met een bovenzaaltje op de hoek van de Oudezijds Achterburgwal en de Huidevettersloot (nu Barndesteeg). Volgens de achttiende-eeuwse geschiedschrijver Jan Wagenaar werden de diensten hier vooral door Engelse zeelieden bijgewoond.
Dankzij bemiddeling van de Engelse ambassadeur kon de kerkgemeente vanaf 1765 diensten houden in een wat beter lokaal, in de voormalige Agnietenkapel (Oudezijds Achterburgwal) die aan het Athenaeum Illustre toebehoorde. In 1771 volgde opnieuw een verhuizing, nu naar de Groenburgwal, waar een ruimte in de Lakenhal als kerk gebruikt kon worden. In het aangrenzende vertrek, de vergaderplaats van de staalmeesters, werden voortaan kerkenraadsvergaderingen gehouden. Hier hingen zes groepsportretten van de staalmeesters, waaronder dat van Rembrandt, nu een van de topstukken van het Rijksmuseum.
De Lakenhal (1626) maakte deel uit van de Staalhof, een groot complex aan de Groenburgwal en de huidige Staalstraat, inclusief een Zijdehal (1650) en een Saaihal (1641; saai is een lichte, gekeperde wollen stof). In de Staalhof werden diverse soorten textiel gekeurd en van een merk voorzien. De Staalhof was in 1626 op zijn beurt in de plaats gekomen van de stadssteenhouwerij waar tevens het woonhuis stond van de beroemde stadssteenhouwer en –bouwmeester Hendrick de Keyser.
In 1806, tijdens de Franse overheersing, werd het gebouw door de overheid gevorderd. Na diverse omzwervingen kon de episcopale gemeente in 1821 naar het oude adres terugkeren. Het kerkinterieur werd in 1827 vergroot door samenvoeging met de voormalige vergaderkamer van de staalmeesters en door het uitbreken van het plafond. Tot die tijd was op de bovenverdieping het Zijdewindhuis gevestigd, een overheidsinstelling waar de dochters van de bedeelden werkten en ruwe zijde op spoelen wonden.
De verbouwing werd uitgevoerd onder leiding van de architect J.J. Janssen. Het is niet zeker of hij ook de kerkgevel ontwierp die twee jaar later aan de Groenburgwal verrees. De gevel is van historisch belang omdat ze als een eerste voorbeeld geldt van neogotiek in Nederland. De keuze voor een neogotische bouwtrant verraadt de Engelse connectie van het kerkgenootschap. In Engeland was al in de achttiende eeuw sprake van een sterke opleving van de gotiek. De stuwende kracht achter de neogotische beweging in Engeland was de literator en politicus Horace Walpole (1717-1797) die zelf het voorbeeld gaf door zijn buitenverblijf Twickenham in gotische trant te laten verbouwen.
De gevel aan de Groenburgwal is opgetrokken in zachtrode geslepen baksteen met zeer fijne voegen. De vensters en de ingang zijn van spitsbogen voorzien, de dakrand van hogels. De vier natuurstenen steunberen liepen uit in pinakels die aan het einde van de negentiende eeuw zijn vervangen door de huidige torentjes. De gotische vormentaal zette zich aan de zijgevel voort in de vorm van lancetvensters met gemetselde ribben.
De voorgevel is een schijngevel die niet met de eigenlijke kerkruimte correspondeert. Achter de gevel bevinden zich namelijk de voormalige woning van de kapelaan en een consistoriekamer. Een vestibule geeft toegang tot het kerkinterieur dat, in tegenstelling tot het gotische vertoon aan de gevel, in eenvoudige classicistische stijl is vormgegeven. De huidige inrichting dateert voor een groot deel uit de periode na 1895 toen de kapelaan James Chambers het meubilair liet restaureren en de neogotische betimmeringen en lambriseringen liet aanbrengen.
Het interieur ontvangt licht via vier gebrandschilderde ramen die in 1929-1931 zijn vervaardigd door de firma W. Bogtman in Haarlem, naar ontwerpen van F.H. Abbing (1901-1955). Het linker raam is een geschenk van Amsterdamse bankiers en kooplieden. Het toont taferelen uit het leven van Willem III en Mary Stuart, die de historische verbondenheid tussen Engeland en Holland moesten illustreren. Stadhouder Willem III was immers tevens koning van Engeland.
Op het tweede raam zijn de regimentswapens afgebeeld van de Northumberland Fusiliers en het Royal Warwickshire Regiment die onder Willem III in de Republiek hadden gediend. Beide ramen werden in 1929 door koningin Wilhelmina onthuld. Het derde raam is een geschenk uit 1930 van een Amerikaanse vriendenvereniging en toont de broederschap der volkeren, met als motto het bijbelwoord van Johannes 15:12 ‘Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad’. Het vierde raam werd in 1931 aangeboden door de stad Londen en is gewijd aan de Britse missionarissen Bonifatius en Willibrordus die in de achtste eeuw in het land het geloof hebben verspreid. Onderaan zijn de wapens van Londen en Amsterdam uitgebeeld.
Het orgel dateert uit 1829 en is vervaardigd door de orgelbouwer Leonard van de Brink(1761-1833). Op de oostelijke muur prijkt sinds 1830 het Engelse wapen, geflankeerd door een eenhoorn en een leeuw.