Dominicus Kerk

Kruimelpad

Pad tot huidige pagina :
 

Dominicus Kerk

21 februari 2008

Sint Dominicuskerk (1884-1886)
Spuistraat 14
P.J.H. Cuypers
Rijksmonument

dominicuskerk van bovenaf

De Sint Dominicuskerk is een van de zes neogotische rooms-katholieke kerken die P.J.H. Cuypers in Amsterdam heeft gebouwd. Behalve de Dominicuskerk zijn ook De Posthoorn en de Vondelkerk behouden gebleven, maar de Dominicuskerk is de enige met een nog grotendeels oorspronkelijke inrichting. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw fungeert de kerk als een oecumenisch centrum.

Geschiedenis

In 1624 hadden paters dominicanen een statie gesticht in het pand ‘Stadhuys van Hoorn’ aan de Nieuwezijds Achterburgwal (de gracht die in 1867 werd gedempt en vervolgens werd omgedoopt in Spuistraat). De huiskerk werd in 1845 vervangen door een als zodanig herkenbare kerk, in classicistische stijl ontworpen door R. van Zoelen. Net als bij de huiskerk bevond zich in de benedenruimte de parochie, terwijl op de verdieping werd gekerkt. Nadat de Sint Dominicus in 1856 tot parochiekerk was verheven, werd de ruimte al snel te klein. Bovendien bestond er behoefte aan een representatief bouwwerk dat de nieuwe status van de kerk en het rooms-katholieke elan van die tijd beter tot uitdrukking kon brengen.

gevelsteen ter herinnering aan het Stadhuys van HoornIn 1883 gaf het kerkbestuur P.J.H. Cuypers (1827-1921) opdracht een nieuwe kerk te ontwerpen. Tot het programma van eisen behoorde dat de kerk plaats zou bieden aan 1600 tot 1700 gelovigen met een vrij zicht op altaar en preekstoel. Andere voorwaarden waren het aanbrengen van minstens drie altaren, drie biechtstoelen, een doopvont, een zangerstribune met ruim plaats voor een orgel, en twee of drie ingangsportalen. Na goedkeuring van het plan werd in 1884 met de bouw begonnen en kon de kerk in 1886 in gebruik worden genomen. Op 8 mei 1893 werd de kerk geconsacreerd door de bisschop van Haarlem.

Ongebruikelijke oplossingen

De kerk werd gebouwd op een terrein tussen de Spuistraat en de Teerketelstraat dat aan één zijde schuin werd afgesneden door de Korte zijaanzicht in de SpuistraatKorsjespoortsteeg. Het scheefhoekige, aan drie zijden ingesloten kavel heeft Cuypers tot een aantal ongebruikelijke oplossingen gebracht. Binnen het schuin afgesneden terrein tekende hij een rechthoekig grondplan van de eigenlijke kerkruimte die zich in de lengte langs de Spuistraat en de Teerketelsteeg uitstrekte. De restruimte aan de Korste Korsjespoortsteeg werd benut voor het inrichten van een driehoekige vestibule. Ruimte voor een imposante voorgevel aan de Korte Korsjespoortsteeg was er niet. De zijgevel aan de Spuistraat werd daarom de feitelijke hoofdgevel. Spitsboogvensters, steunberen, pinakels en balustrades met vierpasvormen verleenden de gevel een neogotisch karakter. Doordat gevel door steunberen in traveeën wordt opgedeeld, past ze, in combinatie met de relatief geringe hoogte, goed in de kleinschalige gevelrij van de Spuistraat.

Cuypers had op het breedste punt van het terrein, op de hoek Korte de aanzet van de nooit gebouwde torenKorsjespoortsteeg en Teerketelsteeg, een 85 meter hoge toren willen bouwen. De gemeente verleende hiervoor echter geen toestemming in verband met de bouwhoogte die in geen relatie stond tot de breedte van slechts vijf meter van beide stegen. De toren werd daarom niet hoger opgetrokken dan tot aan de dakrand van het middenschip. Voor Cuypers was dit een grote tegenvaller. Een hoge toren dient, zo zei hij, ‘om uit de verte de plaats der kerk aan te tonen, hij moet ook hoog zijn omdat de klokken het geluid in de verte over de woningen der gemeentenaren moeten verspreiden en hen ter kerke roepen.’

De pastorie werd in 1891 gebouwd door Jos Th. J. Cuypers, de zoon van de architect van de kerk. Woekerend met de ruimte heeft Cuypers een ongebruikelijke plaats bedacht voor de pastorie die aan weerszijden van het koor kwam te liggen. Een smalle gang met trappenhuis die achter het koor kon worden uitgespaard, verbindt beide delen met elkaar. De crypte onder het koor, doorgaans als grafkelder ingericht, werd hier gebruikt als plaats voor de verwarmingskelder voor de pastorie.

Interieur

interieur208.jpg (23 Kb)De Sint Dominicuskerk vertoont  familieverwantschap met Italiaanse bedelordekerken, zoals de Santa Maria Novella en de Santa Croce in Florence. Omdat de volkspredikingen bij de bedelorden een grote rol speelden, kregen de kerken een ruim middenschip dat ongehinderd zicht op het altaar en het preekgestoelte bood. Een sobere, functionele vormgeving van de architectuur weerspiegelde het armoede ideaal van de bedelorden. De koorpartij en oostelijke wand werden met schilderingen van didactische inslag bedekt.

Dit alles is ook in de Sint Dominicuskerk terug te vinden. Het middenschip is opvallend breed, namelijk zestien meter, bij een breedte van nog geen drie meter voor de zijbeuken. Voor het vlak gedekte,  met sterren bezaaide plafond van het middenschip maakte Cuypers gebruik van een moderne constructietechniek die toentertijd in Nederland uniek was. De overkapping rust op ijzeren balken die op hun beurt via smeedijzeren boogprofielen op de halfzuilen in de muur rusten. De kruisribgewelven van de lagere zijbeuken, transept en apsis zorgen voor extra zijwaartse ondersteuning.

De inrichting van de kerk werd grotendeels geleverd door het atelier Cuypers-Stolzenberg in Roermond. Daartoe behoorden de preekstoel, de vier biechtstoelen, de schilderingen, het hoofdaltaar en het St. Jozefaltaar. Cuypers maakte ook de ontwerpschetsen voor de gebrandschilderde ramen die door het atelier van F. Nicolas te Roermond en de firma Machhausen te Koblenz werden uitgevoerd.

altaar450.jpg (46 Kb)

detailinterieur200.jpg (14 Kb)Het zwaartepunt van de decoratie ligt, net als bij Italiaanse bedelordekerken, aan de liturgische oostzijde van de kerk, in en rondom het koor. Op de bouwtekeningen had Cuypers reeds aangegeven waar de schilderingen aan weerszijden van de triomfboog van het koor zouden moeten komen. Ook het koor werd vanaf 1902 beschilderd. De zeer uitgebreide frescocyclus is geschilderd in de stijl van Fra Angelico, een schilderende dominicaner monnik uit de vroege Italiaanse Renaissance tijd. In de zijbeuken kwamen voorstellingen van de kruiswegstaties. In het westelijk deel van de kerk met de zangerstribune en het orgel kwamen schilderingen van musicerende engelen en de harpspelende koning David. De sjablonenschilderingen van het middenschip dateren van 1926. Het orgel werd in 1903 geleverd door de orgelbouwer Adema.