Keizersgracht 209 werd in 1619 gebouwd, tegelijk met de panden op de nummers 211 en 213. In circa 1738 vond een grootscheepse verbouwing plaats in opdracht van de zijdefabrikant Abraham Verhamme. Toen werd een nieuwe voorgevel aangebracht met rijke bekroning en ontstond het monumentale trappenhuis. Sindsdien heeft het pand zijn karakteristieke vier traveeën brede, verhoogde lijstgevel.
Het huis werd nog tot in de 19de eeuw bewoond door de families Verhamme/De Neufville, evenals het buurpand 211, de Liefde geheten. Rond 1874 werd Justus Wuette, koopman in tabak, de nieuwe eigenaar. Waarschijnlijk liet hij de vertrekken op de begane grond grondig vernieuwen. In 1897 verloor Keizersgracht 209 zijn woonbestemming en werd hoofdkantoor van de metaalwarenfabriek Miele & Co, al snel gevolgd door talrijke andere bedrijven die elkaar in snel tempo afwisselden. In 2001-2002 werd het pand verbouwd tot kantoren.
De versierde rechte kroonlijst heeft consoles en raampjes met daarboven een open balustrade met een groot gebroken fronton als middenverhoging. De balustrade is op typisch barokke wijze naar achteren gebogen. In het gebroken fronton staat een groot vrouwenbeeld, een personificatie van de Hoop. Op de hoeken staan siervazen.
De rijke gevelbekroning van (geschilderde) zandsteen, de geblokte hoeklisenen, de deuromlijsting en de dubbele stoep contrasteren met het schone metselwerk van het gevelvlak. Binnen een zandstenen omlijsting van pilasters tegen een geblokte achtergrond bevindt zich een brede deur met empire lijstwerk en eenvoudig bovenlicht. Bij de laatste restauratie bleken de drie zware consoles van het hoofdgestel zodanig verrot dat zij vervangen moesten worden. Beeldhouwer Karoly Szekeres heeft naar de bestaande consoles exacte kopieën weten te vervaardigen.
De attiek boven de kroonlijst volgt de vier assen van de gevel en bestaat uit holronde balustraden met flesbalusters die het twee traveeën brede fronton flankeren. Dit fronton is versierd met schelpvullingen, bladornamenten en andere ornamenten die kenmerkend zijn voor de Hollandse Lodewijk XIV-stijl. Deze stijl kende een grote populariteit in de eerste helft van de 18de eeuw. Beeldhouwers en stucwerkers legden zich zelfs speciaal toe op de vervaardiging van gevelornamentiek en interieurwerk. Voor de architect was in die periode vaak slechts een ondergeschikte, uitvoerende rol weggelegd.
In vergelijking tot andere gevelbeëindigingen van Amsterdamse grachtenpanden is deze balustrade zeer verfijnd, mede door de levendige afwisseling van het standbeeld en de omkadering van een maniëristisch gebroken segmentvorm, ondersteund door de gedraaide consoles, geflankeerd door de naar achteren gebogen balusters. Het standbeeld van de Hoop is op een rijk gebeeldhouwd voetstuk in het midden van de gevelbekroning geplaatst. Vanwege de hoge artistieke kwaliteit van het beeldhouwwerk en van het standbeeld in het bijzonder, is wel geopperd dat dit mogelijk het werk is van de bekende beeldhouwer Ignatius van Logteren (1709-1745).
Keizersgracht 209 bestaat uit alleen een voorhuis met souterrain, drie verdiepingen en een zolder. Het interieur uit circa 1738 bestaat uit een marmeren gang met monumentaal trappenhuis met lantaarn en stucwerk. Zeldzaam is de vergulde smeedijzeren trapleuning. De bel-etage heeft enkele eind-19de-eeuwse stijlkamers.
Via een kleine vestibule komt de bezoeker van het pand in het buitengewoon monumentale trappenhuis. In de eerste helft van de achttiende eeuw werden talrijke 17de-eeuwse Amsterdamse grachtenpanden in- en uitwendig aan de nieuwe eisen van modieuze decoratie en comfort aangepast. De schaal waarop dat in het interieur van Keizersgracht 209 gebeurde, is nog altijd imponerend, precies zoals de opdrachtgever dat bedoeld zal hebben.
Het representatieve trappenhuis met zijn vrijwel vierkante plattegrond en grote omvang is onmiskenbaar de spil van het huis. De ruime trap voert slechts naar de eerste verdieping en is tot daar geheel van een donker gebeitste en geprofileerde eikenhouten betimmering voorzien. Daarboven houdt de houten betimmering op en begint het stucwerk, dat zich in de vide of lichtschacht over twee verdiepingen uitstrekt en eindigt in de koof, de aanzet tot de vierkante lichtkoepel ter hoogte van de zolder. Ook hier vertonen de betimmering en het stucwerk ornamenten en profileringen die typisch zijn voor de verhollandste Lodewijk XIV-stijl, met brede en ronde, enigszins grove profielen, spiegelbogen, grote symmetrische schelpornamenten en gestileerde bladmotieven, en in stucwerk uitgevoerde pilasters met spaarvelden en Corinthische kapitelen. Om het trappenhuis zoveel mogelijk als ruimtelijke eenheid te ervaren, zijn alle decoraties, profileringen, van deurkozijnen in de vestibule en in het trappenhuis identiek gehouden en in samenhang ontworpen. De smeedijzeren balustrade is in de late 19de of vroege 20ste eeuw aangebracht.
De begane grond bezit een drietal vertrekken die een grote variatie aan vormen, materialen, kleuren en inspiratiebronnen vertoont. In de zaal linksvoor is een nagenoeg complete inrichting met waarschijnlijk oorspronkelijke kleurstelling uit de late 19de eeuw bewaard gebleven. De aankleding van de zaal kan het best omschreven worden als neorenaissancistisch of ‘oud-Hollands’, zoals deze vormgeving in de late 19de eeuw werd samengevat, omdat zij duidelijk was geïnspireerd op de 16de- en vroeg 17de-eeuwse architectonisch- decoratieve mode. De versiering is uitbundig, met veelvuldig gebruik van goudverf en zwaar aangezette sculpturale elementen. Het zwaar geprofileerde houten plafond in roomkleur, donkerbruin met goudkleurige accenten, is in het midden voorzien van een opengewerkte koperen halve bolvorm waaraan een kroonluchter kon worden gehangen.
De rijk bewerkte, met mahonie- en ebbenhout bekleedde, en van verguldsel voorziene deuren hebben bijpassende deurstukken en omlijstingen. De monumentale schoorsteenpartij is in dezelfde materialen uitgevoerd, met vier gedraaide zuilen voor de boezem die een hoofdgestel dragen, voorzien van goudkleurige consoles met kopjes en kaarsenhouders, waarover een grote centrale cartouche is aangebracht. De mantel wordt door twee gedrongen zuilen geflankeerd.
De kamer 'en suite', aan de achterzijde, vertoont een geheel ander karakter, zowel in materiaal, ornamentiek als kleur. Boven de lambrisering zijn rechthoekige (bespannen) wandpanelen aangebracht, versierd met centrale medaillons met koppen en omgeven door talrijke bladornamenten. Deze compositie wekt de indruk laat-18de-eeuws te zijn, in een vroege Lodewijk XVI-stijl in pasteltinten (crème, beige en lichtblauw) geschilderd, die op het einde van de 18de eeuw zeer populair waren. De compositie is echter enigszins overladen en bevat enkele 'stijlvreemde' elementen, waaronder de kooflijst met verguldsel, de omgaande verlaagde plafondlijst en het varenmotief dat in verticale stroken terzijde van de lijsten van de wandpanelen is aangebracht. De manier waarop de ornamenten op de bespanning zijn aangebracht, wijst ook op een 'snelle' manier van decoreren, zoals die in de late negentiende eeuw veel werd toegepast. Bovendien wijst de gewijzigde plaatsing van de deuren op een bewogen geschiedenis van verbouwing en verandering. Waarschijnlijk is hier sprake van een in beginsel 18de-eeuwse, in de late 19de eeuw aangepaste aankleding, die in Amsterdam als zeer zeldzaam beschouwd moet worden. Gelet ook op de inrichting van de voorkamer lijkt het aannemelijk dat men tegen het einde van de 19de eeuw opzettelijk een aantal 'stijlkamers' heeft willen creëren, een wijze van inrichten die in die periode zeer populair was. Zodoende ontstond een veelzijdige woonomgeving, waarin elk vertrek een eigen karakter verkreeg dat uitdrukking gaf aan het gebruik en het belang dat de bewoner eraan hechtte.
Terzijde van dit vertrek en achter het trappenhuis bevindt zich een langgerekte, uitgebouwde kamer, die in de uitbouw een blinde dubbele deur heeft en voorzien is van een bovenlicht in het stucplafond. De wat ongelukkige verzagingen en hoekoplossingen van het stucwerk en verborgen deuren waarachter nu onder andere kasten schuilgaan, doen vermoeden dat deze kamer tenminste gedeeltelijk later vanuit een ander pand hier is ingebracht en dat toen ook de schoorsteenpartij en het stucplafond zijn aangepast. De bekroningen boven de dubbele deuren zijn vakkundig en verfijnd, evenals de houten lambrisering die een fraaie lijst van miniatuurcartouches heeft. In de jaren zestig had dit vertrek nog een donkerblauwe en groene kleurstelling.