Het Corvershof is genoemd naar de stichter, Joan Corver (1688-1719), raad, schepen en kolonel over een regiment schutters. In 1709 trad hij in het huwelijk met Johanna Trip. Na haar voortijdige dood, hertrouwde Corver met een nichtje van Johanna, Sara Maria Trip. Het echtpaar woonde in de Gouden Bocht, aan Herengracht 456. Beide huwelijken bleven kinderloos. In 1719 overleed Corver, in 1721 zijn echtgenote. Bij hun dood lieten ze aan de Nederduitsch Hervormde Diaconie een bedrag van ruim 160.000 gulden na. Daaruit werd de bouw bekostigd van een liefdadigheidsinstelling. De diaconie bezat reeds een weeshuis en een Oude vrouwen- en mannenhuis, maar er was nog geen huis voor bejaarde echtparen. Met de erfenis van Corver kon daarin nu worden voorzien.
De nieuwe stichting zou komen te staan op een nog onbebouwd erf dat de stad aan het Oude vrouwenhuis had geschonken. De bouwwerkzaamheden begonnen in 1721 en twee jaar later kon het Corvershof in gebruik worden genomen. Toegelaten werden alleen echtparen waarvan de man minstens 60 jaar en de vrouw minstens 56 jaar oud was, ze moesten een bepaald aantal jaren in Amsterdam woonachtig en lidmaat van de diaconie zijn. Bij overlijden van een van de twee werd de ander direct overgeplaatst naar het aangrenzende Oude vrouwen- en mannenhuis. Het bestuur van het hof lag bij een commissie die ieder jaar opnieuw uit diakenen werd samengesteld.
Het Corvershof was een relatief rijke stichting. De instelling haalde neveninkomsten uit de verhuur van kelders en zolders voor het opslaan van handelswaar en bovendien bezat ze een eigen bakkerij en brouwerij. Een bewoner van het hof ontving jaarlijks 52 gulden, waarvan de helft in natura werd uitbetaald, in de vorm van brood, boter, turf en kleding. In de zomer kon men rekenen op twee maal kalfsvlees, in de winter op extra kaarsen, kaas, grutters- en kruidenierswaren en rundvlees om in te zouten. De medische verzorging en medicijnen werden gratis verstrekt.
Het Corvershof bestaat uit vier vleugels rondom een binnenplaats. Aan de Nieuwe Herengracht verrijst een imponerende zeven traveeën brede voorgevel met een lengte van 100 voet (ruim 28 meter). De machtige middenpartij wordt omlijst door geblokte zandstenen Ionische pilasters waarboven trigliefen zijn aangebracht, die gewoonlijk alleen bij een hoofdgestel van de Dorische orde voorkomen. Ook het segmentvormige en imposante fronton is in deze periode een bijzonderheid. Naar de wens van de stichters is in het timpaan een alliantiewapen van Corver en Trip aangebracht: drie korven naast drie trippen (muiltjes). Boven het wapen spreidt een adelaar zijn vleugels uit. In zijn snavel houdt de vogel een ontwerptekening van het Corvershof vast waarop wederom in miniatuur een ontwerptekening is te zien. De allegorische reliëfs aan weerszijden van het alliantiewapen verbeelden de liefdadigheid, hulp aan invaliden, het beschermen van kinderen en de offerbereidheid.
Een dubbele bordesstoep leidt naar de fraai afgewerkte ingang die door een zandstenen sieromlijsting in Lodewijk XIV-stijl met het venster erboven verbonden is. Boven de deur zijn dichtregels in een marmeren plaat gehakt:
Zo weldoen dank verdient en Armenzorg belooning
Druipt CORVERS naam en TRIPS op yeders tong als honing
Door wiens geschenk en wil dit Godshuis is gebouwt
Dat met haar Wapens pronkt, hun Naam onsterflyk houd
Hoewel in de achttiende eeuw schuiframen algemene ingang hadden gevonden, zijn bij de bouw van het Corvershof nog de ouderwetse kruiskozijnen toegepast.
Aan de oostzijde van de ingang (links) bevond zich de woning van de binnenvader en -moeder, aan de andere kant de trap naar de verdiepingen. De binnenplaats werd verlicht door twee fraaie lantaarns op zuilen van arduinsteen. Rondom waren achttien en op de verdieping nog eens zestien woningen gelegen. Drie woningen aan de westzijde zijn, zoals een inscriptie op de gevel vermeldt, in 1757 gesticht uit een legaat van Anne Elizabeth Geelvinck, weduwe Jan Lucas Pels, Vrouwe van Hoogelande
De regentenkamer bevond zich op de verdieping aan de achterzijde, met uitzicht op de boomgaard achter het Diaconie Oude vrouwen- en mannenhuis. Hier hielden de diakenen eens in de twee weken vergadering. Op de schoorsteen is een verkleinde kopie van het gevelfronton aangebracht. Het achttiende-eeuwse meubilair bestond onder andere uit een rococo commode, een ‘staand horlogie’, acht notenhouten leunstoelen en achttien stoelen van iepenhout waarvan de ruggen met de wapens van de stichters waren voorzien. Aan de wanden hingen portretten van de stichters en naamborden van regenten.
In 1924 werden op de zolderverdieping, waar vroeger turf werd opgeslagen, dertien woningen ingericht. In 1928 volgde een restauratie onder leiding van A.A. Kok. Bij die gelegenheid werden de woningen van keukentjes voorzien. Inmiddels werden niet alleen bejaarde echtparen maar ook jongere dames tot het Corvershof toegelaten. In 1978 werden de woningen in het Corvershof toegewezen aan studenten.