Constantiawoningen

Kruimelpad

Pad tot huidige pagina :
 

Constantiawoningen

21 februari 2008

Constantia-woningen (1863-1864)
Willemsstraat 149-165
P.J. Hamer
Rijksmonumenten

voorgevel

De Constantia-woningen vormen een negentiende-eeuws wooncomplex dat indertijd voor oudere arbeiders was bedoeld. De woningen maakten deel uit van de stadssanering in de Jordaan, die een aanvang nam met de demping van de Goudsbloemgracht in 1856. De woningen die hier vervolgens werden gebouwd, waaronder de Constantia-woningen, hebben de toenmalige ideeën over de huisvesting van de arbeidende klasse ingrijpend veranderd.

Filantropische woningbouw

De Jordaan was in de negentiende eeuw de dichtstbevolkte en meest verpauperde buurt van Amsterdam. Door de bevolkingsdruk gingen huiseigenaren ertoe over bestaande woningen te splitsen in éénkamerwoningen, inclusief voormalige pakkelders, en bouwden nieuwe huizen op open binnenterreinen, die door een gang met de straat verbonden waren. De grachten fungeerden als open riolen en afvalgeulen waardoor de kans op ziekten en epidemieën zeer groot was. Het eerste rapport over de slechte volkshuisvesting waarin de Jordaan als zwaar verkrotte buurt werd beschreven, dateert reeds van 1853, maar sociale woningbouw behoorde naar de toenmalige liberale opvattingen niet tot het takenpakket van de overheid.

Enkele filantropisch ingestelde rijke particulieren ontplooiden echter initiatieven ter verbetering van de woonsituatie van de arbeidersklasse. Ze richtten verenigingen op zoals de Vereeniging ten behoeve der Arbeidersklasse (1852, VA) en de Bouwmaatschappij Concordia (1864). Op hun verzoek werd een groot aantal grachten in de Jordaan uit sanitaire overwegingen gedempt. In de Jordaan zijn nog veel filantropische woningbouwprojecten van het eerste uur te vinden, zoals in de Elandsstraat (Concordia-zuid, 1858-1859), de Westerstraat (Concordia-noord, 1864), de Passeerdersdwarsstraat (Hana, 1852-1853) en in de Willemsstraat. De VA kocht percelen op in en rond de gedempte Goudsbloemgracht die vervolgens, naar de beschermheer van de vereniging, koning Willem III, Willemsstraat werd genoemd. De krotwoningen werden vervangen door eenvoudige, maar droge, schone en goed ventileerbare nieuwe huizenblokken. Vanaf 1863 werden hier de Constantia-woningen gebouwd waarvoor de voorzitter van de VA, J. van Eyk, een onderafdeling van de VA in het leven had geroepen, de Stichting voor de Ambachtsstand-Constantiawoningen (1863). Hier konden minvermogende werklieden ouder dan 60 jaar kosteloos wonen, op voorwaarde dat ze over een periode van tenminste twaalf jaar voor één patroon hadden gewerkt. De woningen werden genoemd naar de vrouw van Van Eyk, Constantia van Loon.

Sociale woningbouw en bouwkunst

Arbeiderswoningen vormden rond het midden van de negentiende eeuw een nog nieuwe bouwopgave voor architecten. Behalve onbekendheid met de bouwopgave, stonden  statusoverwegingen aanvankelijk de interesse van architecten in de weg. Bovendien was het een lastige opgave om met een minimaal budget en een zeer strikt programma van eisen iets moois te maken. In Engeland brak de bekende architect Henry Roberts (1803-1876) echter een lans voor het bouwen van arbeiderswoningen. Hij stelde dat het wel een hele eer was als architecten met een studiebeurs uit Rome terugkeerden met tekeningen van paleizen, maar hoeveel eervoller zou het niet zijn, aldus Roberts, als zij zich zouden inzetten voor de bestrijding van de vochtigheid die zoveel huizen zo ongezond maken. 

In Nederland was het de Maatschappij ter Bevordering van de Bouwkunst die bij architecten probeerde interesse op te wekken voor het vraagstuk van goede arbeiderswoningen door in 1851 een prijsvraag uit te schrijven. De prijsvraag werd gewonnen door de architect J.H. Leliman (1828-1910) maar het was vooral de architect P.J. Hamer (1812-1887) die zich intensief met volkshuisvesting in haar eerste fase (1850-1870) heeft beziggehouden. Hij was de vaste architect van een aantal woningverenigingen, onder andere de VA, voor wie hij voornamelijk in de Jordaan heeft gebouwd.

achtergevel met binnenplaats

Constantia-woningen

De woningen aan de Willemsstraat waren uit kostenbesparende overwegingen doorgaans etagewoningen. De Constantia-woningen vormden hierop een uitzondering en vertonen eerder overeenkomsten met hofjeswoningen zoals die al eeuwenlang in Amsterdam werden gebouwd: een gesloten bouwblok van lage eenvoudige woningen met de voordeur aan een groen binnenterrein met bleekveld en pomp. Anders dan vroeger ontbrak echter de gebruikelijke regentenkamer of kapel. Oorspronkelijk waren er 36 kleine woonvertrekken.

De Constantia-woningen zijn in fasen tot stand gekomen. De nummers 149-165 kwamen in 1864 gereed, in 1868 volgde nummer 143 en in 1873 werden de nummers 145-147 aan het complex toegevoegd. Architect Hamer slaagde erin de Constantia-woningen met minimale middelen een zekere standing te verlenen. Volgens hetzelfde principe als van de classicistische ‘paleisbouw’ ontwierp hij een symmetrische straatgevel die door een middenpartij en door hoekpartijen met pilasters wordt onderverdeeld Het middengedeelte vormt de omlijsting van een representatieve entree: aan weerszijden gekoppelde, met afwisselend stuc en baksteen geblokte pilasters, terwijl een rond fronton de bekroning vormt. Onder het fronton staat “Constantia’’ geschreven. Een houten classicistisch poortje, met pilasters en driehoekig fronton leidt naar de binnenplaats. Hier wordt de ingangspartij geaccentueerd door geblokte lisenen en een sierlijk opengewerkt torentje met rondbogen aan vier zijden.

Na de dood van het echtpaar Van Eyk werd het hofje beheerd door de Van Eyk stichting. In 1921 werden de woningen overgedragen aan de Vereniging ten behoeve van de  Arbeidersklasse. De bejaarden die er toen nog woonden mochten tot hun dood kosteloos blijven. Oplopende onderhoudskosten maakten dat de vereniging de woningen niet meer goed kon exploiteren. In 1962 kocht de gemeente op één na alle aandelen van de vereniging. Inmiddels zijn de Constantia-woningen tot rijksmonument verklaard.