Concertgebouw

Kruimelpad

Pad tot huidige pagina :
 

Concertgebouw

21 februari 2008

Concertgebouw (1883-1886)
Van Baerlestraat 98
A.L van Gendt
Rijksmonument

concertgebouw vanaf museumpleinIn 1881 richtte een aantal particulieren de NV Het Concertgebouw op met het doel een concertgebouw te stichten van internationale allure. Na de sluiting van de Parkzaal in de Plantage beschikte Amsterdam in feite nog over slechts één concertzaal van bovendien beperkte capaciteit, de ovale zaal van Felix Meritis.

Er werd een besloten prijsvraag uitgeschreven die gewonnen werd door A.L. van Gendt. Het programma van eisen vroeg een gebouw met tuin voor openluchtconcerten op een terrein van 130 bij 55 meter. Er moest een grote zaal komen voor tweeduizend personen. Het podium diende schuin op te lopen en plaats te kunnen bieden aan 500 zangers, 120 orkestleden en een orgel. Tevens moest er een kleine zaal komen voor 450 personen met dezelfde afmetingen als die van de ovale zaal van Felix Meritis, circa negentien bij vijftien meter. De bouwkosten mochten de 280.000 gulden niet overschrijden. 

In overleg met P.J.H. Cuypers, die tevens lid van de jury was, werd een terrein gekozen aan de zuidzijde van de stad, op het grondgebied van de gemeente Nieuwer-Amstel. Delen van Nieuwer-Amstel zouden geannexeerd worden waarna het Concertgebouw een rol zou spelen in een grootschalig stedenbouwkundig project. Het zou echter nog lang duren eer de plannen gerealiseerd werden. Het Concertgebouw werd in 1886 voltooid en stond daarna nog twee jaar eenzaam en verlaten temidden van de weilanden. Geldgebrek en het ontbreken van een goede verbinding met de stad waren daarvan de oorzaak. Pas op 11 april 1888 vond het openingsconcert plaats. De stedenbouwkundige ontwikkeling rondom het Concertgebouw kon pas goed op gang komen na de annexatie in 1896 van delen van de gemeente Nieuwer-Amstel

Het exterieur

In navolging van muziektheaters in andere Europese steden ging Van Gendt uit van het idee van een ‘muziektempel’. Hij gaf het gebouw een zandstenen ingangspartij in de vorm van een klassieke tempel. Zes monumentale zuilen met bewerkte schachten dragen een hoofdgestel en een fronton Het beeldhouwwerk in het fronton van de hand van Joh. Franse is een allegorie op de muziek. De associatie met een muziektempel wordt versterkt door de grote lier op de punt van het dak, het instrument van Apollo, de god der muzen. Van Gendt had zijn winnende prijsvraagontwerp ook onder de titel ‘Apollo’ ingeleverd.  Op de verdieping boven de bogen van de ramen prijken borstbeelden van Beethoven, Bach en Sweelinck. In de vormgeving van de hoekpaviljoens zocht Van Gendt aansluiting bij het Rijksmuseum. De scherpe daken komen overeen met de hoofdvormen van deze ‘tempel van de vaderlandse schilderkunst’.

fronton en harp

De tuin achter het Concertgebouw, waar openluchtconcerten werden gegeven, werd in 1923 aan de gemeente Amsterdam verkocht. Aan de openluchtconcerten was toen al lang een einde gekomen. In 1912 was een tramlijn door de De Lairessestraat aangelegd die grote geluidsoverlast veroorzaakte. Op de plaats van de tuin verrezen huizen. Deze werden in een ronding gebouwd, overeenkomend met de ronde vorm van de achterkant van het concertgebouw.

Het interieur

De door Van Gendt ontworpen plattegrond was nagenoeg symmetrisch. De kern van het gebouw wordt gevormd door de Grote Zaal die de volledige hoogte in beslag neemt. Rondom wordt ze omgeven door gangen en vestiaires. Dwars hierachter kwam een ovaal bouwlichaam, met op de begane grond de zogenaamde Spiegelzaal met daarboven de Kleine Zaal.

De Grote Zaal heeft een rechthoekige vorm, waarvan alleen de hoeken van de smalle zijde tegenover het podium een ronde vorm hebben gekregen. In het begin stonden in de Grote Zaal, als er voldoende plaats was, houten beklede stoelen rondom tafeltjes. Langs drie wanden van de zaal rusten galerijen op gietijzeren zuilen. Ter hoogte van de kapitelen van de wandpilasters zijn op cartouches namen van componisten geschilderd.

De bijna 28 meter brede zaal wordt overkapt door een ijzeren dakconstructie waaraan ook het stucplafond met de cassetten is bevestigd. Van Gendt had de ijzerconstructie al eerder toegepast bij de bouw van de Hollandsche Manege (1881-1882). De negen reusachtige kapspanten van getrokken ijzer, elk 6680 kilo zwaar, werden door een Belgisch bedrijf geleverd. Van Gendt gaf in publicaties uitleg over de overkapping, vergezeld van illustraties. Daarin liet hij weten dat de constructie eerst  terdege was getest, onder andere door een van de spanten aan een belasting van 24.000 kilo te onderwerpen. 

Het orkestpodium neemt ongeveer een derde van de zaal in beslag. Het middelste gedeelte was voor het orkest bestemd, de ruimten aan weerszijden waren bedoeld voor het koor. De orgelkast is ook door Van Gendt ontworpen en mocht in geen geval een kerkelijk karakter krijgen. Van Gendt nam daarom zijn toevlucht tot een nogal exotische vormgeving. Het instrument werd op 10 oktober 1891 ingewijd.

Het interieur van het  Concertgebouw werd witgeschilderd opgeleverd. In 1898 werd de Grote Zaal onder leiding van architect Ed. Cuypers (1859-1927) van een bonte en donkere polychromie (donkergroen, donkerrood en oker) voorzien, een jaar later werd ook de kleine ovale zaal onder supervisie van O. Mengelberg beschilderd.

In 1998 werd de Grote Zaal onder leiding van architect E. Merkx in een lichte kleurstelling met plaatselijk gebruik van bladgoud gerestaureerd, waarbij tevens de originele ornamentiek van het stucwerk op bescheiden schaal werd teruggebracht. De restauratie werd ’s nachts, na de concerten, uitgevoerd. In het door architectenbureau Merkx en Girod ontwikkelde onderhouds- en investeringsplan is het gehele Concertgebouw tot aan 2007 gefaseerd hersteld, verbeterd en verfraaid.

De akoestiek

De grote waarde van het Concertgebouw is, meer nog dan in de architectuur, gelegen in de wereldberoemde akoestiek.  De dirigent Bernard Haitink noemde de akoestiek eens ‘het beste instrument van het Concertgebouworkest’. Een belangrijke factor hiervoor is dat de zaal, net als de oude ovale zaal in Felix Meritis, rondom door corridors omsloten is en niet met de buitenmuren in verbinding staat. De zaal fungeert zo als een klankkast. De akoestiek was echter niet al direct in het begin optimaal. Een wetenschappelijke analyse van akoestiek werd pas in de beginjaren van de twintigste eeuw ontwikkeld. Bij het Concertgebouw ging men nog proefondervindelijk te werk. Een belangrijke verbetering in de akoestiek trad op toen in 1899 het orkestpodium verlaagd werd en de helling iets afgevlakt werd. Sindsdien is de akoestiek de grootste schat van het Concertgebouw. Bij  alle wijzigingen en verbouwingen die in de loop der tijd hebben plaatsgevonden, werd steeds nauwkeurig onderzocht of de ingreep consequenties zou hebben voor de akoestiek.

Voor nog eens honderd jaar

In de loop der tijd is het Concertgebouw meer geweest dan alleen een muziektempel. Het heeft plaats geboden aan de meest uiteenlopende evenementen: tentoonstellingen, congressen, vergaderingen, demonstraties, kerkdiensten, sportevenementen, toneeluitvoeringen, cabaretvoorstellingen en  modeshows  In 1904 vond in het Concertgebouw het internationale socialistencongres plaats met onder de deelnemers Rosa Luxemburg en Domela Nieuwenhuis. Gedenkwaardig was ook het kampioenschap figuurrijden voor vélocipèdes in 1894.In de jaren twintig en dertig werden in de Grote Zaal bokswedstrijden gehouden. 

Rond 1985 was het Concertgebouw in verband met de slechte bouwkundige toestand en ruimtegebrek hard toe aan ingrijpende herstelwerkzaamheden. In scherp contrast tot de beginperiode, toen met de grootste moeite 600.000 gulden voor de bouw van het Concertgebouw werd vergaard, verliep de fondsenwerving onder het motto ‘Voor nog eens honderd jaar’  razendsnel. Een internationale inzamelactie leverde in één jaar tijd veertig miljoen gulden op, met giften van onder andere bedrijven in de Verenigde Staten, Japan, Frankrijk en Groot-Brittannië.

Tegelijk met de aanleg van een nieuwe fundering werd het gebouw onderkelderd. Na verwijdering van de oude palen werd een kelderverdieping uitgegraven die plaats bood aan repetitie-  en kleedkamers, en ondersteunende diensten. De begane grond kon hierdoor geheel voor publieksfaciliteiten worden ingericht. Dankzij een uitgekiend werkschema konden de concerten tussen de werkzaamheden door gewoon doorgang vinden.

De vleugel aan het Concertgebouw

In 1986, aan de vooravond van het eeuwfeest van het Concertgebouw, vond nog een belangrijke ingreep plaats. Aan de zijde van het huidige Concertgebouwplein kwam een aanbouw door de architect P. B. de Bruijn, een transparante, hoofdzakelijk glazen vleugel over twee verdiepingen. Hier kwam de nieuwe hoofdingang precies in de lengte-as van de Spiegelzaal. De vleugel maakt een knik en heeft aan de uiteinden scherpe hoekpunten die helpen lijn en structuur te geven aan het wat onbestemde gebied van het Concertgebouwplein, dat het midden houdt tussen een plein en een straat. De nieuwe aanbouw moest met de toepassing van gepolijste materialen een zekere glamour uitstralen. 

moderne uitbouw concertgebouw