Het Brants-Rushofje werd in 1732-1733 in opdracht van de koopman Christoffel Brants gebouwd naar ontwerp van Daniel Marot. De instelling richtte zich op de opvang van ‘minvermogende’ oude vrouwen van lutherse gezindte.
Christoffel Brants (1664-1732) was als zoon van een Oostfriese kuiper van eenvoudige komaf, maar werkte zich op tot een welgestelde edelman. Hij dreef handel op Rusland waar hij een bevoorrechte positie verwierf aan het hof van tsaar Peter de Grote. In 1717 werd hij door de tsaar in de adelstand verheven en benoemd tot diens adviseur en zaakgelastigde in Amsterdam. Een jaar eerder had Peter de Grote tijdens zijn bezoek aan Holland twee dagen in het huis van Brants aan de Keizersgracht 317 gelogeerd.
Brants' hofBrants legde zelf de eerste steen van het naar hem genoemde hof. De steen met de initialen en de datum 20 mei 1732 is in 1888 in het souterrain gevonden en vervolgens in de wand van de regentenkamer ingemetseld.
Het architectonisch ontwerp werd geleverd door de beroemde Franse bouwmeester en ontwerper Daniel Marot. De uitvoering van het werk namen de timmerman Roos en de metselaar Hesseling voor hun rekening. Het gebouw moest over 21 tweepersoonskamers en zes éénpersoonsvertrekken beschikken, zodat het in totaal 48 vrouwen kon huisvesten.
Het bestuur van het hofje lag bij vijf regenten die door de ouderlingen van de lutherse gemeente voor het leven werden aangesteld. Voor de bewoonsters golden strenge toelatingseisen en gedragsregels. Voor opname kwamen alleen behoeftige kinderloze vrouwen of weduwen in aanmerking, minstens 50 jaar oud, van de lutherse gezindte, en van ‘fatsoenlijke opvoeding en van een goed gerucht, gedrag en handel, zonder de allerminste opspraak.’ Er gold een verbod op ‘krakeelen, schelden, drijgen, slaan, vuyle woorden, lichtvaardig sweeren, vloeken, laster’ en drankmisbruik leidde tot uitzetting.
Hield men zich aan de regels, dan konden de bewoonsters, behalve op vrije woning, rekenen op een halfjaarlijkse toelage van 40 gulden en bepaalde hoeveelheden levensmiddelen en brandstof. Bovendien had Brants als regel ingesteld dat alle bewoonsters op zijn verjaardag, 1 augustus, een ‘deftige’ maaltijd aangeboden zouden krijgen. In tegenstelling tot andere hofjes moesten de ‘proveniersters’ echter wel eigen middelen van bestaan hebben.
Op 5 november 1732 overleed Brants. De voltooiing van het gebouw in 1733 heeft hij dus niet meer mogen meemaken. Bij zijn dood bedroeg zijn vermogen ruim twee miljoen gulden. Brants, die ongehuwd was gebleven, liet hiervan 250.000 gulden na aan de stichting, plus nog eens 50.000 gulden bij wijze van schadeverzekering. In 1735 kon ook het terrein links van het hofje aangekocht worden. In 1776 werden hierop drie woonhuizen (nummers 46-50) achter een gemeenschappelijke gevel gebouwd. In1898 werd ook het pand op nummer 26 verworven.
Het hoofdgebouw heeft een gedistingeerde voorgevel. Volgens de principes van de Lodewijk XIV-stijl accentueerde Marot de middenas door middel van een fraai bewerkte natuurstenen omlijsting van ingang en bovengelegen venster. Brede hoeklisenen markeren de zijkanten. Op het iets uitstekende middendeel van de kroonlijst rust een gebogen opzetstuk met een zinnebeeldig reliëf van de Barmhartigheid. Daaronder is het adellijke wapen van de stichter aangebracht. Boven de ingang zijn de volgende dichtregels te lezen:
Brants, door de koopmanschap tot Rijkdom en tot Eer
Geklommen, heeft mij in de Naa-nacht van sijn Leven
Den Ouden tot hun Troost ter Wooningen gegeven.
Aanschouwer! is uw doen gezeegent van den Heer
Volg Brants in Deugden, in zyn Liefde tot den Armen:
Godt gaf hem, dat hy mild zig hunner kon Erbarmen.
Ao 1733
Via een dubbele stoep en een grote deur betrad men een ruime hal. Links hiervan bevond zich de woning van de binnenvader en -moeder, rechts hiervan het trappenhuis. In de vleugels rondom de binnenplaats waren over de beide verdiepingen de woningen verdeeld.
Het middenpaviljoen van de achtervleugel is voorzien van siermotieven en wordt geflankeerd door geblokte kolossale pilasters van de Ionische orde. Bovenaan bevonden zich een uurwerk en een slagklok. Tegen de middenrisaliet van de twee andere gevels staan achttiende-eeuwse waterpompen. In 1899 zijn de vier enigszins storende uitbouwen aangebracht voor de plaatsing van wc’s op de verdieping. In de achtervleugel bevond zich, rechts van een hal, de regentenkamer. Tegenover de regentenkamer, links van de hal, lag de spreekkamer. Vanaf de hal daalde een brede bordestrap af naar de bloementuin die achter de belendende panden doorloopt.
Tuingevel en tuinhuisDe tuingevel is één verdieping lager dan de gevel aan de gracht maar is ook hier voorzien van een middenpartij met natuurstenen omlijsting met siermotieven. Ze vindt een tegenwicht in het brede tuinhuis of ‘zomerhuis’ met het naar voren buigende middendeel dat met het wapen van de stichter werd versierd. Hier bevond zich onder andere een keuken. In het midden van de tuin staat een, mogelijk door Marot ontworpen beeldengroep van een zwaan, een luthers symbool, omringd door spelende kinderfiguurtjes.
Alle hofjeswoningen zijn inmiddels gemoderniseerd, op één na die in de oorspronkelijke toestand is teruggebracht. Hier bevinden zich in een hoek twee ingebouwde bedsteden boven elkaar. Sinds de Franse tijd, toen iedere bewoonster haar eigen kamer kreeg, was de bovenste bedstede niet meer in gebruik. In een andere hoek van de kamer staat de schouw met gietijzeren haardplaat.
Ook de regentenkamer is in oorspronkelijke staat teruggebracht. Al het meubilair is achttiende-eeuws. De schouw in Lodewijk XIV-stijl vormt een eenheid met een sierlijke spiegellijst en een schoorsteenstuk, een portret van een zuster van Brants. Het schilderij heeft als pendant een portret van een andere zuster, op de tegenoverliggende wand. Behalve de portretten van familieleden, is hier ook een portret van de stichter zelf en een ruiterportret van tsaar Peter de Grote te zien. De schilderijen mogen, zo bepaalde het testament van Brants, nooit verkocht worden. Boven het portret van Brants hangt zijn in hout gesneden en gepolychromeerde wapen. In de kamer worden verschillende documenten bewaard, waaronder de adelsbrief en de benoeming van Brants tot adviseur en zaakgelastigde van Peter de Grote, beide voorzien van het zegel van de tsaar.