Agnietenkapel

Zoeken

Kruimelpad

Pad tot huidige pagina : Home : Monumenten : Agnietenkapel
 

Agnietenkapel

15 december 2008

Agnietenkapel (ca 1470)
Oudezijds Voorburgwal 231
A.A. Kok (restauratie 1921)
Rijksmonument

Gevel Agnietenkapel

Het Agnietenklooster is in 1397 gesticht door zusters van het Clarissenklooster, volgens de kroniek van het klooster op 20 januari, de naamdag van St. Agnes. Bij de grote stadsbrand van 1452 is 'dit geheele convent verbrant totten pulver toe', alle - hoogstwaarschijnlijk houten - gebouwen gingen verloren. De herbouw begon met een groot huis aan de Oudezijds Voorburgwal. Dit herbergde in eerste instantie alle gebruikelijke onderdelen zoals kerk, keuken, refter, spinkamer en slaapzaal. Deze kregen, naarmate meer gebouwen waren voltooid, een eigen onderdak . Ter plaatse van de voormalige kapel kwam een bleekveld en iets ten noorden daarvan verrees in 1470 de nieuwe Agnietenkapel.

Op de vogelvluchtkaart van Cornelis Anthoniszoon uit 1544 is goed te zien dat in deze omgeving een ware 'religieuze enclave' binnen de stad was ontstaan. Amsterdam telde ruim twintig kloosters die merendeels in de zuidoosthoek van de stad stonden, die naar de aard van deze complexen ook wel de 'stille zijde' werd genoemd. Zowel de burgwallen als de verkaveling en bebouwing van de gronden kenmerkten zich door bescheiden afmetingen. In deze omgeving vielen de kloostercomplexen op door hun grote omvang en hun gesloten karakter. De muren en vrijwel blinde straatgevels van de kloostergebouwen vormden vier vleugels rond de open binnenterreinen die in gebruik waren als kloosterhof, kerkhof, bleekveld en tuin (boomgaard, kruiden- en moestuin). Deze 'in haarzelf gekeerde'  wereld raakte langzamerhand sterker bij het stadsleven betrokken; om de financiële nood enigszins te verlichten verrezen vanaf het einde der vijftiende eeuw ook huurhuizen aan de randen van de kloosterterreinen. Na de Alteratie (1578) kwamen de kloostercomplexen in handen van de stad. Van het Agnietenklooster resteert alleen nog de voormalige kapel.

Geschiedenis

Haar lange bouw- en gebruiksgeschiedenis kent drie fasen die in belangrijke mate haar voorkomen bepalen. Dat zijn de herbouw van de vijftiende- eeuwse kloosterkapel (1470), de zeventiende-eeuwse verbouwing tot Athenaeum Illustre (1631) en de restauratie in 1921 voor de Universiteit van Amsterdam waarbij A.A. Kok (1881-1951) de historie weer zichtbaar maakte en eigentijds vormgegeven onderdelen toevoegde.

 Vóór de restauratie van 1921  Na de restauratie van 1921

Restauratievoorbeeld jaren twintig

Kok verrichtte onderzoek ten behoeve van de werkzaamheden en deed daarvan schriftelijk verslag, waarbij een belangrijk deel van de geschiedenis werd ontrafeld. Omdat de voormalige kloosterkapel sinds deze werkzaamheden niet meer ingrijpend is gewijzigd vormt zij tevens een belangrijk restauratiehistorisch document.

In 1988 werd het Universiteitsmuseum, sinds 1991 hangt aan de wanden van geschuurd pleisterwerk weer een portrettengalerij van veertig 'geleerde en vermaarde mannen van allerlei staat en gezindheid', zoals wetenschappers en staatslieden. De afbeeldingen zijn onderdeel van de grote collectie die in 1743 werd geschonken door oud-schepen en koopman-verzamelaar Gerard van Papenbroeck. In de negentiende eeuw waren de portretten verspreid geraakt, de museumconservator bracht de verzameling weer bijeen.

Kerkzaal


De Agnietenkapel

De Agnietenkapel hoort tot de vele Amsterdamse kloosterkapellen die herbouwd moesten worden na de grote stadsbrand van 1452. Het Agnietenklooster met centraal de Agnietenkapel. (Detail kaart Cornelis Anthonisz, 1544)Karakteristiek voor deze groep zijn de eenbeukige kerkjes met rechte koorsluiting, een hoog en breed spitsboogvenster in de topgevel en een dakruiter op het zadeldak. Typerend voor sommige van de vrouwenkloosters is de zogenoemde dubbelkerk, waarin twee kerkruimten boven elkaar zijn gemaakt die allebei zicht hebben op het hoofdaltaar in het over de hele hoogte doorgetrokken koor. De benedenkerk was ook toegankelijk voor leken, de bovenkerk uitsluitend bestemd voor de nonnen. Voor de constructie van de kapellen werd, net als bij woonhuizen, gebruik gemaakt van een houtskelet. De Agnietenkapel bestond uit een eenbeukig schip van vijf traveeën en een iets smaller, rechtgesloten koor van twee traveeën aan de oostzijde (Oudezijds Achterburgwal). De lagere benedenkerk was via een ingang in de zuidelijke zijmuur voor leken toegankelijk vanaf de Oudezijds Voorburgwal. De nonnen hadden vanuit het klooster rechtstreeks toegang tot de kerkruimten.

Het oorspronkelijke interieur

De tussenvloer lag aan de westzijde op ongeveer eenderde van de hoogte en liep door over de eerste vier traveeën van het schip. De lekenkerk werd door een hekwerk gescheiden van het koorgedeelte. Het interieur was wit gepleisterd, bij de restauratie zijn geen sporen van beschildering aangetroffen. In de oost-west georiënteerde kapel stonden oorspronkelijk vijf altaren. Behalve het hoofdaltaar waren dat twee grote geschilderde altaren (Heilig Kruisaltaar en Onze Lieve Vrouwealtaar) en twee kleinere altaren gewijd aan Augustinus en Franciscus).

Het houtskelet bestond voor de benedenkerk uit vier gebinten van eikenhouten balken, muurstijlen, korbelen en sleutelstukken met het gotische peerkraalprofiel. Hierop lag de vloer van de bovenkerk. In de nonnenkerk werden de twee gebinten met muurstijlen afgewisseld met twee muurschalken met een gesneden mannenkop. Deze grof gesneden koppen boven aan de vier muurstijlen zijn bijzonder. In Amsterdam kwamen dit soort schraagbeelden meer voor – zoals in de Oude Kerk en de voormalige Nieuwezijds Kapel (thans in het Amsterdams Historisch Museum) -, maar in Nederland is dit zeldzaam.
Deze houtconstructie ondersteunde de eikenhouten sporenkap die aan de binnenzijde was beschoten met een houten spitstongewelf.
De houten gewelfribben en naald werden gesierd door een gotisch peerkraalprofiel. Oorspronkelijk waren de gewelfschotels ook versierd met snijwerk, de gewelfvlakken beschilderd met hemelsblauwe verf en gouden sterren en hadden de eikenhouten ribben een vergulde middenbies. Langs de ribben is, vermoedelijk in de zeventiende eeuw, een rankenband geschilderd. Deze versieringen zijn - 'in de stemming van wat er vroeger was' – in 1921 aangebracht door A. Hemelman, die ook de gewelfvlakken zachtgroen kleurde.

De Doorluchtige School

Na de Alteratie, in 1578, werd de kapel in gebruik genomen als pakhuis van de Admiraliteit. In 1629 besloot de Vroedschap om de kloosterkerk te bestemmen voor het nieuwe Athenaeum Illustre, de Doorluchtige School. De verbouwing was voltooid in 1631; op 8 januari 1632 vond de feestelijke opening plaats.

Aan de Oudezijds Voorburgwal werd de aaneengesloten bebouwing gesloopt en ter plekke van de gesloopte huizen werd een muur opgetrokken met daarin het natuurstenen poortje van de voormalige stadstimmertuin aan de Oude Turfmarkt.

De voorgevel veranderde drastisch. Het hoge, gotische spitsboogvenster werd dichtgemetseld en ter hoogte van de eerste verdieping kwamen - ter verlichting van de grote gehoorzaal - twee spitsboogvensters naar het model van die in de zijgevels. Verder kreeg de gevel, onder andere, een nieuwe bakstenen bekleding en een, nu nog bestaande, zandstenen afdekking (aanzetsteentjes, deklijsten, maskertje en bekronende bol).

De Gehoorzaal uit: De doorluchtige Schoolatlas van Fouquet, 1760-1783


Het 17de-eeuwse interieur

Het oude maaiveldniveau bleef alleen in de eerste travee gehandhaafd, verder werd de begane grond verhoogd. Dit had te maken met het verzakken van het gebouw en de verhoging van het maaiveld sinds 1470. De benedenruimte bleef in gebruik bij de Admiraliteit voor opslag. De vloer van de bovenkerk werd ongeveer een meter verlaagd èn over de volledige lengte doorgetrokken. Met het ontstaan van doorlopende verdiepingsvloeren ging het karakter van een dubbelkerk verloren.

 Plafond gehoorzaal  Plafond gehoorzaal

In het voormalige schip kwam de grote gehoorzaal, het voormalige koor werd bestemd tot klein auditorium. Onder de aanzetten van het houten tongewelf werd een vloer gemaakt. De nu ontstane zolderverdieping was bestemd voor de Stadsbibliotheek.
De balken en het plafond van de gehoorzalen zijn versierd met een schildering die populair is aan het begin van de zeventiende eeuw: barok krullende, dikke bladranken in vlakken die omlijst zijn door een dunne geschilderde bies. Tussen de ranken en tulpmotieven is Athena (Minerva) afgebeeld, de godin van wijsheid en beschermster van kunsten en wetenschap.
De decoratiewijze doet denken aan de stijl van Anthoni Hendricks, die vanaf omstreeks 1611 tot zijn overlijden in 1635 in Amsterdam werkte. Hier ontbreken echter de vogels en mensenkoppen die Hendricks meestal op ruime schaal in zijn ontwerpen verwerkte.

De Universiteit van Amsterdam

In 1864 verhuisde het Athenaeum Illustre naar de Garnalendoelen aan het Singel en werd de voormalige Agnietenkapel bestemd tot openbare lagere school. De Agnietenschool bleef tot in 1917 in de kapel. Vier jaar later begon de ingrijpende restauratie annex verbouwing ten behoeve van de Universiteit van Amsterdam, de opvolger van het Athenaeum Illustre. Sinds de restauratie van A.A. Kok is de voormalige kloosterkapel - Nu Universiteitsmuseum De Agnietenkapel - niet meer ingrijpend gewijzigd.

De muur aan de Oudezijds Voorburgwal was bouwvallig en werd opnieuw opgetrokken met behoud van het poortje van de voormalige stadstimmerwerf. Het poortje kreeg een nieuw, door A.A. Kok ontworpen smeedijzeren hekwerk. De voorgevel werd ontdaan van pleisterwerk en opnieuw opgemetseld omdat het gedeelte vanaf de verdiepingvensters - met de zachte Leidse steen uit 1631 - dreigde om te vallen. Daarbij werd het oude metselwerk zoveel mogelijk behouden en oude stenen hergebruikt.
Het centrale gotische spitsboogvenster werd gereconstrueerd aan de hand van bouwsporen (ook die van het gotische venster aan de achtergevel). De vier grotere muuropeningen van de benedenkerk werden hersteld. De dakruiter werd gereconstrueerd op basis van hoekstijlgaten, een oude tekening en het bewaard gebleven torentje van het voormalige Sint Ceciliaklooster (Prinsenhof - thans Hotel The Grand) als voorbeeld.

Het huidig interieur

Een nieuwe fundering van betonpalen en gewapend betonvloer moest de oorspronkelijke eikenhouten roosterfundering ontlasten. De vloer van de begane grond werd uitgediept tot het maaiveldniveau ten tijde van het klooster. Alleen de eerste travee - die in 1631 op die oorspronkelijke hoogte was gebleven - werd nu opgehoogd om aan te sluiten bij het voorpleintje.
De vloer van de hoofdverdieping, de voormalige bovenkerk, ging omhoog naar het middeleeuwse niveau. De oorspronkelijke zeventiende-eeuwse vloer in het koor verhuisde mee naar deze nieuwe hoogte. Over de vloerbalken van de verdieping en de zolder werden stalen liggers in de muur opgelegd.
Ter hoogte van de vijfde travee, de laatste van het voormalige schip, is een bordestrap ingebracht ter ontsluiting van de twee zalen op de hoofdverdieping. In de overgang van de trappalen naar de handlijst op de begane grond is een abstract uilfiguurtje gesneden, de trappaal op de verdieping wordt bekroond door een gesneden aapje. Dit is de enige, bescheiden decoratie, in een voor de jaren twintig typerende 'abstract-natuurlijke' stijl. De ruimte tussen boom, eikenhouten trappalen en handlijsten is dichtgezet met geschilderd paneelwerk. Deze hoofdtrap is een goed voorbeeld van de eigentijdse, ambachtelijk- traditionele werkwijze van Kok.

Het trappenhuis wordt verlicht door het spitsboogvenster in de zuidmuur dat is gevuld met gebrandschilderd glas in lood van Willem Bogtman (1882-1955). Hierin zijn de eerste hoogleraren van het Athenaeum Illustre, Gerard Vossius en Caspar Barlaeus, afgebeeld tegen een abstracte achtergrond. Het atelier Bogtman ontwierp ook het gebrandschilderd glas in lood in de door Kok gereconstrueerde spitsboogvensters met onder andere voorstellingen van het Agnietenklooster - gebaseerd op de vogelvluchtkaart van Cornelis Anthoniszoon - en van twee hoogleraren.

De latere plafonds op de hoofdverdieping werden verwijderd, zodat het oorspronkelijke plafond van het Athenaeum Illustre weer in het zicht kwam. De ranken-voorstelling bleek vrijwel ongeschonden en werd geretoucheerd door de kunstschilder A. Hemelman.
De zolder werd geschikt gemaakt als juridische leeszaal, pedagogische boekerij en filosofische bibliotheek. Eikenhouten tussenwandjes en boekenkasten verdeelden de zolderverdieping in drie bibliotheekruimten. De eikenhouten inrichting werd ook door Kok ontworpen.


agnietenpoortDe Agnietenpoort

De bak- en zandstenen poort, die toegang geeft tot het voorpleintje van de Agnietenkapel, is in 1571 gemaakt in de luchtige en sierlijke rolwerkstijl van Vredeman de Vries (1527-1604). Oorspronkelijk sierde het poortje, gemaakt van Naamse steen en Bentheimer zandsteen, een toegang van de Stadstimmertuin aan de Nieuwe Doelenstraat.

Toen het stadsbestuur in 1629 besloot de Agnietenkapel in te richten als Athenaeum Illustre, de eerste hogeschool van Amsterdam, werd het poortje naar deze plaats overgebracht. Het jaartal 1571 werd gewijzigd in 1631, het jaar van voltooiing van de verbouwing. De poort bestaat uit geblokte pilasters met Toscaans basement en Dorisch kapiteel met versieringen waaronder leeuwenmaskers en daarbinnen een rondboog met zogenaamde diamantkoppen, afgewisseld met geometrische patronen. Het stadswapen bovenop de poort wordt eveneens omgeven door typische Vredeman de Vries-motieven, een cartouche met het jaartal en twee siervazen.