Aan de Valkenburgerstraat 186-208 ligt het terrein Brood en IJzer, zo genoemd vanwege de ijzeropslag en de broodfabriek die hier in de vroege twintigste eeuw langs de Uilenburgergracht waren gevestigd. Tussen 2001 en 2004 zijn delen van de bebouwing voor nieuwbouw gesloopt. Vanwege de bodemsanering en het bouwrijp maken van het terrein heeft BMA verschillende opgravingen uitgevoerd, waarvan de laatste van 6 tot 13 mei 2004. De locatie is archeologisch extra interessant vanwege de overblijfselen die hier te verwachten zijn van de vroegste bebouwing en gebruiksgeschiedenis van dit stedelijke gebied.
Opgravingsterrein langs de Uilenburgergracht met op de voorgrond de 1e fase van de helling t.h.v. perceel 200
Het terrein ligt op het voormalige eiland Marcken, dat samen met de eilanden Uilenburg en Rapenburg aan het einde van de 16de eeuw speciaal werd aangelegd voor de vestiging van scheepstimmerwerven. De VOC kreeg een werf op Rapenburg en op Marcken kwamen particuliere werven voor kleinere vaartuigen als schuiten en pramen. Vanaf 1660 verplaatsten de scheepsbouwactiteiten in de stad zich naar de oostelijke haveneilanden Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg die toen werden aangelegd. Marcken werd opnieuw ingericht met pakhuizen, werkplaatsen en woningen.
De eerste sporen van scheepswerven kwamen aan het licht tijdens de opgraving in 2001 ter hoogte van de Valkenburgerstraat 206-208. Op een diepte van 3.00 m tot 4.50 m onder het maaiveld werd een eenvoudige hellingconstructie aangetroffen uit het begin van de 17de eeuw. De helling bestond uit eikenhouten leggers op een grondverstevigende mat van biezen en rijshout met daarop een planken vloer die schuin afliep naar de Uilenburgergracht. De werkvloer bleek in het derde kwart van de 17de eeuw met een ophogingslaag afgedekt waarna het open terrein aan het water volledig werd bebouwd.
In 2004 werd het onderzoek voortgezet met de opgraving van de strook grond aan de gracht ter hoogte van de percelen Valkenburgerstraat 186-200. Ook hier werden fundamenten van gebouwen (pakhuizen, werkplaatsen) aangetroffen die in de periode 1675/1700-1750 langs het water achter de woonhuizen aan de straat waren gebouwd. Daaronder bevonden zich weer overblijfselen van verschillende scheepshellingen.
De helling op perceel 194 met op de achtergrond verschillende fasen van beschoeiingen en kadewerken langs de Uilenburgergracht
Ter hoogte van nummer 200 lag een helling met twee gebruiksfasen. De oudste helling lag weer op 4.50 m onder het maaiveld en dateerde uit de periode 1600-1640. De schuine vloer op dwarsleggers was samengesteld uit grenen en eiken sloophout dat deels afkomstig was van schepen. De houtconstructie was afgedekt met een laag houtsnippers en zand waarop een tweede vloer was gebouwd. Deze is maar kort in gebruik geweest van 1640 tot 1660. Hiervan waren alleen nog de dwarsleggers over, bestaande uit eiken scheepspanten, op een diepte van circa 3 m onder het maaiveld. De helling ernaast op perceel 194 kende weer een andere constructie. Hier bestond de schuine vloer uit nieuwe brede eiken planken die waren aangelegd op een talud van sintels en fijne kiezelsteentje. Ze werden maar deels ondersteund door dwarsbalken. De vloer was in 1640-1660 in gebruik, maar de ophogingslagen eronder wezen op eerdere activiteiten op het perceel rond 1600. Toen was er geen werkvloer van houten planken maar bestond het loopvlak uit klei met zaagsel en kalkbrokken. De derde helling op perceel 188 was weer van scheepsloophout en dateerde uit de vroege fase van 1600-1640, waarna er een zwaar talud van grote kiezels overheen werd gelegd.
Documentatie van houten helling en latere beschoeiingen ter hoogte van het perceel 194
De archeologische vondsten hebben nieuwe informatie verschaft over de inrichting van het scheepsbouwterrein op Marcken. De hellingen waren direct na de oplevering van het eiland rond 1600 aangelegd en vervolgens rond 1640 weer verbouwd, waarschijnlijk vanwege verzakking van de grond. Opvallend is de grote verscheidenheid aan bouwmethoden. Deze individuele aanpak bij de inrichting wijst er sterk op dat de afzonderlijke percelen aan verschillende eigenaren toebehoorden. De vroegste historische documentatie van de strokenpercelering is afkomstig van achttiende-eeuwse stadskaarten. De situering van de verschillende hellingen toont dat deze percelering van een oudere datum is en is terug te op de eerste verkaveling van het eiland rond 1600. Hieruit blijkt dat het nieuwe stedelijke gebied door verschillende particuliere bedrijfjes in gebruik werd genomen.
17de-eeuws spaarvarken uit de grachtvulling voor de helling op perceel 200