Op een gesloopt bouwterrein langs de Rapenburgwal is op 6-8 december archeologisch onderzoek uitgevoerd. De percelen lagen aan de zuidzijde van het voormalige eiland Rapenburg en tegenover het terrein van de vroeg-17de-eeuwse werf van de VOC (de Peperwerf). Rapenburg is samen met de eilanden Vlooienburg, Uilenburg en Marken aangelegd bij de Tweede Uitleg, de stadsuitbreiding van 1592-1596.
Een deel van het bovenste plankier is reeds vrijgelegd. Op de achtergrond de bebouwing op Rapenburg.
Op het perceel Rapenburg 46 is een houtconstructie van ca 18 x 4 m aangetroffen die uit twee niveaus was samengesteld. Het onderste bestond uit een serie planken die in de lengterichting aflopend naar het water naast elkaar waren aangebracht op het loopvlak van het opgebrachte eiland. Hierop lagen twee dwarsliggers. Dendrochrologische dateringen van enkele houtmonsters wezen erop dat het geheel omstreeks 1625 was aangelegd. De planken tussen de dwarsliggers waren afgedekt met een pakket van houtsnippers en hierop was een tweede, minimaal 12 m lange, houtconstructie aangebracht, die bestond uit dwarsliggers en een planken vloer.

De bovenste en de onderste laag van het plankier, gezien richting Rapenburgwal
Hoewel deze houten onderdelen dendrochronologisch niet dateerbaar bleken, wordt aangenomen dat beide houtniveaus een samenhangende plankierconstructie vormen, met de onderste planken en dwarsliggers als fundering voor de vloer. Hierop wijst ondermeer het identieke verval van beide niveaus, ongeveer 5 cm per m, in de richting van de gracht (de bovenste vloer van 0,14 m tot 0,76 m onder N.A.P.). Opvallend is slordige aanleg met dwarsliggers willekeurig onder en boven de ongelijk verdeelde houtsnipperlaag geplaatst. Gelet op de geringe hellingshoek van 2,8 graden is het niet waarschijnlijk dat dit plankier diende als scheepshelling. Veeleer valt te denken aan een plankier voor het lossen en de opslag van scheepshout dat bijvoorbeeld werd aangevoerd voor de Peperwerf. Op stadsplattegronden van Pieter Bast (1614) en Balthasar Florisz van Berckenrode (1625) staan aan de noordkant van het eiland scheepshellingen aangegeven, terwijl aan de zuidzijde houtvoorraden opgestapeld lig. Duidelijk is wel dat de hele constructie rond 1725 buiten gebruik is gesteld, waarna het terrein is geëgaliseerd en gedurende tweeënhalve eeuw onbebouwd bleef. 
Deze fragmenten vilt, sterk naar harpuis geurend, lagen op het houtsnipperpakket naast de plankier. De vierkante spijkergaatjes duiden op het gebruik als teerzwabber of -kwast. Zo'n kwast bestond uit een stapel viltlapjes die met een nagel op een handvat waren gespijkerd.