Bij een grootschalige verbouwing van het Joods Historisch museum is ondermeer een kelderruimte uitgegraven onder een van de vier synagogen waarin het museum is gehuisvest. Dit was voor de Afdeling Archeologie van BMA een uitgelezen kans om door het uitvoeren van een opgraving in mei 2006 inzicht te krijgen in de ontwikkelingsgeschiedenis van een bijzonder stukje binnenstad.
Romantische voorstelling van het mikwe in het laat 18de-eeuwse complex van de Hoog-Duitse synagoge (gravure van C. Philips Jacobsz naar P. Wagenaar 1783)
In 1670 werd door de Hoogduitse Joodse gemeente een stuk grond gekocht op de hoek van de Deventer Houtmarkt, tegenwoordig het Jonas Daniel Meijerplein, en de Nieuwe Amstelstraat. In het jaar daarop werd daar de eerste synagoge opgeleverd. Al snel kreeg men te maken met ruimtegebrek en moest er uitbreiding plaatsvinden. Hierdoor ontstond in 70 jaar tijd een complex van vier synagogen. Het archeologisch onderzoek vond plaats in de Nieuwe Synagoge die in 1752 in gebruik werd genomen. Bij de bouw van deze synagoge waren enkele huizen en een kleinere synagoge (uit 1730) gesloopt. De opgraving heeft tal van muren in het zicht gebracht die in verband gebracht kunnen worden met zowel bewoning als het synagogencomplex.
De constructie van het bad wordt gedocumenteerd
Opmerkelijk was de vondst van een mikwe, een Joods ritueel bad. Dit is niet zo verwonderlijk in de context van een synagoge, elke synagoge had er een. Bijzonder was echter wel de mogelijkheid om het bad in samenhang met andere overblijfselen van de oorspronkelijke inrichting te onderzoeken. Het aangetroffen mikwe bestond uit een rechthoekige bak die door een tussenmuur in twee bassins werd verdeeld. Deze constructie vertoonde grote gelijkenis met die van waterkelders die met enige regelmaat bij achttiende-eeuwse huizen worden aangetroffen.
Overzicht van de opgraving met in het midden het mikwe. Rechts onder de trap bevindt zich de bakstenen constructie van het oventje dat mogelijk heeft gediend voor verwarming van het water voor de mikwe.
Dat het hier niet om een waterkelder maar om een mikwe ging, bleek ondermeer uit de bekleding van de wanden met witte tegels en de watertoevoer en afvoer die elk bassin had. De baden waren 1,65 m diep. Van de oorspronkelijke trap om het water te betreden resteerde niets, waardoor de archeologen vermoeden dat die trap waarschijnlijk een houten constructie was. Tot de infrastructuur rondom het rituele bad behoorde waarschijnlijk de ernaast aangetroffen oven waarmee mogelijk het water werd verwarmd.