Vanaf november 2001 is een opgraving uitgevoerd ter hoogte van het voormalige Minderbroedersklooster in de Nieuwmarktbuurt. Dit Franciscanerklooster, gesticht in 1462, heeft tot aan de Alteratie in 1578 bestaan. Het was ooit het grootste mannenconvent in de stad.
De funderingsresten van de refter langs de Bloedstraat. Op de achtergrond de Waag op de Nieuwmarkt.
Het opgravingsterrein bevond zich ter hoogte van de zuid- en westvleugel van het hoofdgebouw van het klooster en werd begrensd door de huidige Bloedstraat, Gordijnensteeg en Monnikenstraat.
De kloosterlingen hadden voor hun klooster een bouwlocatie gekozen in de recente uitbreiding aan de oostzijde van de stad, gelegen tussen de stadsgrens van 1380 en die van 1420. Uit het archeologisch onderzoek weten we dat dit terrein, drassig en begroeid met elzenbroekbos, aan het einde van de veertiende eeuw bouwrijp is gemaakt door het op te hogen met venige zoden. In de ophoging is afval uit die tijd teruggevonden. Er zijn geen huisresten gevonden die dateren van voor de bouw van het klooster. Wel is in de venige ophoging een grote mestkuil gevonden. Dit mag worden beschouwd als een aanwijzing dat de voormalige stadsrand na het ophogen wel door Amsterdammers in gebruik is geweest.
Een deel van het eikenhouten rooster. Twee vakken zijn ingeheid met elzenstammetjes.
Parallel aan de Bloedstraat zijn, in de zuidvleugel van het hoofdgebouw, de muurresten van de refter (de eetzaal) ) en de wijnkelder uitgegraven. Zoals gebruikelijk bij kloosters waren ook hier de muren gemetseld op een zwaar eikenhouten roosterfundering. Ten noorden van de refter en de wijnkelder liep het zuidelijk deel van de kruisgang rond het kloosterhof. Ter hoogte van deze kruisgang zijn resten van enkele monnikengraven aangetroffen. Ook in de westelijke kruisgang zijn grafresten gevonden.
Resten van vier graven in de zuideljke kruisgang, ingesloten tussen het funderingshout van het onderstation van het GEB uit 1920. Op de voorgrond de noordmuur van de refter (eetzaal) van het klooster.
Bij de opgraving zijn geen voorwerpen gevonden die tot de inboedel van het klooster kunnen worden gerekend. Wel heeft het archeologisch onderzoek informatie opgeleverd over de bouw van het klooster en is aangetoond dat aan het einde van de zestiende eeuw woonhuizen en een pakhuis zijn gebouwd op de funderingen van het klooster. Hiermee is de structuur van het hoofdgebouw in de topografie lang bewaard gebleven.