Nieuwbouw aan de noordoostzijde van het marineterrein op Kattenburg was de aanleiding voor een archeologisch onderzoek van 8 tot 17 maart 2005. De locatie is eind 18de eeuw aangeplempt als uitbreiding van het 17de-eeuwse werfeiland. Het onderzoek had tot doel de inrichting van de werf door de Admiraliteit en de Koninklijke Marine in de 18de en 19de eeuw te documenteren. Daarbij kon mogelijk ook informatie worden verzameld over de 17de-eeuwse zeewering en de opbouw van de 15de-17de-eeuwse IJhavenbodem. Ook de voormalige 19de eeuwse geschutgieterij van de Rijksmarine lag binnen het onderzoeksterrein.
Noordaanzicht van de beschoeiing. Achter de eikenhouten paal zijn de rechtopstaande planken van het schot zichtbaar.
Kattenburg werd vanaf 1655 de thuisbasis voor de Admiraliteit vanwege het relatief diepe vaarwater langs het eiland. Om strategische redenen werd het IJ aan de westzijde van het eiland door paalwerken van het buitenwater afgesloten. In de luwte van deze palen kon het slib dat door het IJ werd meegevoerd gemakkelijk bezinken. Hierdoor verslechterde de bereikbaarheid van de werf. Om de verdere dichtslibbing tegen te gaan werd in 1790 een dam rond het Admiraliteitsdok aangelegd. Bij het onderzoek werd een zware oost-west gerichte houten beschoeiing gevonden.
De constructie bestond uit een rij gekantrechte eikenhouten palen (gemiddeld 26 x 32 cm) die aan de zuidzijde werd geflankeerd door grenenhouten palen met een diameter van 26-28 cm. Tussen de palen zat een keerschot van 4 cm dikke rechtopstaande eikenhouten planken. De beschoeiing werd aan de noordzijde gezekerd met eikenhouten trekankers. Door de positie van deze ankers werd duidelijk dat dit niet de noordgrens van het eiland was, maar dat de constructie behoorde tot de laat-18de-eeuwse dam rond het dok. Vanaf de beschoeiing kon een zinkstuk over een afstand van 20 m naar het noorden worden gevolgd. Het zinkstuk (30-40 cm dik) bestond uit twee lagen rijshout met dwars gelegde takkenbundels ertussen.
Het zinkstuk op de IJ-bodem direct ten noorden van de beschoeiing. Het zinkstuk bestond uit meerdere lagen rijshout en was verzwaard met stadsafval.
Op enkele plaatsen was de mat bedekt met stadsafval uit de tweede helft van de 18de eeuw dat er voor het afzinken op was gestort. Deze bodemversteviging vormde de eerste stap in de aanleg van de dam rond het dok. Het dijklichaam zelf bestond uit een 2,5 m dikke laag bagger dat gefaseerd bleek opgebracht.
Enkele 18de-eeuwse vondsten uit het afvalpakket op het rijshout. Van de tinnen snuifdoos op de voorgrond ontbreekt de deksel.
In de bodem onder het zinkstuk bevond zich een gave 17de-eeuwse baardmankruik met een applique van het wapen van Amsterdam.
In de baggerlaag net onder het zinkstuk bleek een gave baardman te liggen.
Van de gebouwen die vanaf ca 1815 op het terrein zijn aangelegd, zoals de geschutgieterij en de bergplaats voor verfwaren, zijn enkele funderingsresten teruggevonden, die waren verstoord door bebouwing en inrichting in de 20ste eeuw.