In oktober 2003 zijn bij graafwerkzaamheden oude muurresten ontdekt in de tuin van het landgoed Frankendael aan de Middenweg in de Watergraafsmeer. Deze toevalsvondst was aanleiding tot een noodonderzoek door de afdeling Archeologie. Het muurwerk bleek onderdeel uit te maken van een gebouwtje van circa 15 x 7 meter, dat vlak onder het maaiveld op circa 4½ meter – NAP was gelegen.
Locatie van de muurresten achter het koetshuis van de buitenplaats Frankendael.
Het was een symmetrisch bouwwerk. De plattegrond bestond uit twee ruitvormige ruimten aan weerskanten van een kleinere vierkante ruimte. De zuidelijke punten van beide ruiten waren door een rechte muur met elkaar verbonden, terwijl tussen beide noordelijke ruitpunten een kwartcirkelvormige muur liep. De vloeren van beide ruitvormige ruimten en het vierkante vertrek daartussen waren oorspronkelijk bekleed met ongeglazuurde oranje plavuizen. Het bouwwerk had een verzonken vloerniveau dat circa 60 cm onder het maaiveld van de tuin lag. De noordelijke ruimte binnen de gebogen muur was opgevuld met twee langgerekte gewelven van baksteen. Vlak tegen de zuidmuur van het gebouwtje was een waterkelder aangelegd.
De opgraving gezien vanaf het dak van Huis Frankendael.
De baksteenformaten, het gebruik van metselkalk, de plavuizen en het type waterkelder wijzen sterk op een achttiende-eeuwse datering. De bakstenen blijken zelfs identiek te zijn aan de stenen die zijn gebruikt bij de uitbreiding van het hoofdpand in 1720-1747. De jongste scherven in de egalisatielaag, die over de muurresten lag, dateren uit het begin van de negentiende eeuw. Hieruit blijkt dat het bouwsel rond 1820 moet zijn afgebroken.
Gezien de ondiepe fundering had het bouwwerk een lichte houten opbouw, eventueel voorzien van glas. Dit wijst er op dat het hier een historische plantenkas of wintertuin betreft. Dit idee wordt ondersteund door de ligging en oriëntatie van de plattegrond. Het gebouwtje staat in de noordwestkant van de tuin met de lange wand gericht op het zuidwesten. Dit waarborgde zoveel mogelijk zonlicht en warmte in de ruimte. De noordzijde, de koude kant, was afgeschermd met de gebogen twee-steens muur, die mogelijk voor isolatie diende.
De gebogen noordmuur met de daarachter gelegen gewelfresten.
Het archeologisch onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat de muurresten een uniek overblijfsel zijn van de oorspronkelijke achttiende-eeuwse tuin. Besloten is de muurresten intact te laten en voorlopig ter plekke te bewaren. De vindplaats is daarom weer afgedekt met aarde.
Enkele vondsten die werden gedaan in de egalisatielaag, naast enkele 17de-eeuwse scherven voornamelijk daterend uit de periode 1750-1820.