Al kort na de start van het afzinkproces werd duidelijk hoe rijk het Damrak als archeologische vindplaats was. De scheepvaartactiviteiten in de haven, de publieke functie van de Nieuwebrug en het stedelijk leven op de oevers hadden in de afgelopen eeuwen een massieve materiële neerslag van een metersdik pakket vondsten opgeleverd. De zeef bleek bijzonder effectief en leverde meer dan 700 zakken (formaat vuilniszak) bulkvondsten op bestaande uit honderdduizenden aardewerk scherven en dierlijke botten van met name slachtafval. Naast losse vondsten zijn sporen en structuren aangetroffen die verband hielden met de bouwgeschiedenis van de Nieuwe Brug. Er zijn bijna 200 palen ingemeten, de meeste van naaldhout daterend uit de jongere bouwfasen vanaf eind zeventiende tot begin twintigste eeuw. Een beperkt aantal vierkante palen (ca. 35-45 x 35-45 cm) van eikenhout behoorde vermoedelijk tot een voorganger van de laat zeventiende-eeuwse brug. Dendrochronologisch onderzoek leverde dateringen die reiken van ca. 1490 tot 1550 na Chr. Onder de resten van de brug en een laat negentiende-eeuwse basaltstenen beschoeiing werd een deel van een zestiende-eeuws landhoofd gelokaliseerd.
Naast de bulkvondsten die vooral met huishoudelijk afval verband hielden, zijn er van de zeef en onder de caissons duizenden (vrijwel) complete voorwerpen verzameld. Catalogisering en conservering zijn in volle gang. Enkele zaken vallen op, zoals de aanwezigheid van onder meer circa 1300 messen. Een dergelijke omvangrijke verzameling identieke voorwerpen, die voor het overgrote deel uit de periode 1475 - 1550 dateren, doet denken aan al dan niet moedwillig dumpen. Mogelijk was dit een lading die bij het overladen overboord is gevallen of producten afkomstig van een werkplaats op de brug. Behalve huishoudelijk afval waren er ook andere categorieën voorwerpen, zoals vele kootjes (soort bikkels van bot), die deels fraai waren bewerkt en tot spelactiviteiten op de brug (het kootspel) zijn terug te voeren. Dergelijke vondsten geven het openbare karakter van de brug fraai weer. Een andere categorie vondsten, waaronder tientallen pijlpunten van kruis- en handboog, delen van een maliënkolder, kanonskogels en musketkogels en een hellebaard, betreffen militaire zaken. Ze hielden wellicht verband met de verdedigingsfunctie van de Nieuwebrug als onderdeel van de havenbarrière. Kenmerkend voor de functie van het Damrak als haven en dus voor de vele scheepvaartactiviteiten ter plaatse waren de bijna 400 bootshaken van verschillende types, afmetingen en dateringen, de talloze scheepssintels (scheepsbeslag) en werktuigen zoals breeuwhamers. Meerdere pelgrimsinsignes uit verschillende bedevaartsplaatsen (bijvoorbeeld Wilsnack in oostelijk Duitsland, Aachen, en Geeraertsberge in België) en enkele insignes van het Mirakel van Amsterdam van de Nieuwezijds Kapel illustreerden de rol van Amsterdam als een van de belangrijkste Noordwest-Europese pelgrimsplaatsen in de late middeleeuwen.
De vondsten dateren vooral uit de vijftiende tot de achttiende eeuw. Een mogelijke verklaring voor het geringere aantal vondsten uit de vroege periode van Amsterdam van circa 1200-1400 is de ligging van de vindplaats midden in de rivier met een flinke afstand tot de beide oevers, terwijl een brug ontbrak. Ook kan dit een aanwijzing zijn dat pas rond 1400 de stedelijke bebouwing langs dit deel van de riviermonding voldoende was ontwikkeld om sporen in de rivier achter te laten. Het is echter ook denkbaar dat door toedoen van de invloed van enkele stormvloeden in de Late Middeleeuwen delen van de Amstelvulling zijn geruimd, waardoor aanwezig vondstmateriaal werd weggespoeld.
Een ander opvallend gegeven is de kleine maar interessante groep vondsten (vooral aardewerk) uit (prehistorische) periodes, zoals het Late Neolithicum en de Bronstijd, voorafgaand aan het ontstaan van Amsterdam. In hoeverre deze overblijfselen wijzen op een gebruik van het landschap of wellicht bewoning in de directe omgeving in deze vroege tijden, zal bij de verdere uitwerking van het archeologisch materiaal en vooral ook bij de studie van de vele bodemmonsters moeten blijken. Hier spelen de locaties Vijzelgracht en Ferdinand Bolstraat een belangrijke rol, aangezien daar mogelijk bodemlagen worden aangetroffen, die destijds (Late Neolithicum, Bronstijd) het landschapsoppervlak vormden.
Ten behoeve van ecologisch en geologisch/fysisch-geografisch onderzoek is een doorlopend bodemprofiel gedocumenteerd en bemonsterd door de verschillende bodemafzettingen en met name de verschillende vullingen van de Amstel tot 25 meter –nap. Voorlopig kan worden geconcludeerd dat de onderkant van de historische Amstel zich op 11-12 m –nap bevindt. De rivier heeft zich hier ingesneden in een dik pakket prehistorische mariene afzettingen. Daaronder, op een diepte vanaf 21 meter-nap, is het pleistocene zand gelegen. Het bodemkundig en botanisch onderzoek van de vele afzettingen en de koppeling daarvan aan de archeologische vondsten zal in de komende tijd nieuwe informatie bieden over het gebruik en ontwikkeling van de Amstel en mogelijk zelfs van bewoning van de directe omgeving in periodes voorafgaand aan het ontstaan van Amsterdam. Hierbij zullen ook de gegevens van het geplande onderzoek voor station Rokin, alsmede voor de stations Vijzelgracht en Ferdinand Bolstraat, een belangrijke en aanvullende rol gaan spelen.