Het archeologische werk bij de Noord/Zuidlijn vordert gestaag. In 2005-2006 waren de archeologen van BMA onder grond aan de slag op het Damrak, waar caissons werden afgezonken tot 25 m diepte. In 2008 richtte het archeologisch onderzoek zich op het station Rokin, dat in dat jaar tot 11 m werd ontgraven . Ook op station Ceintuu
rbaan en het Stationsplein werd opgegraven. In 2010 en 2011 zal het archeologisch veldwerk op al deze stations tot de uiteindelijke diepte van 25 tot 33 meter onder maaiveld worden afgerond.
De Noord/Zuidlijn levert bijzondere archeologie omdat de vindplaatsen midden in de stadsrivier van Amsterdam liggen. Het Rokin en het Damrak zijn stukken van de Amstel die dwars door het historisch centrum lopen. De rivierbedding zit vol met vondsten die in de afgelopen eeuwen in het water zijn terecht gekomen. De archeologen richten hun pijlen vooral op de vindplaatsen in het centrum van Amsterdam. Behalve daar, doen zij ook onderzoek bij het ontgraven van de stations Vijzelgracht en Ceintuurbaan, alsmede in Amsterdam Noord bij de Buiksloterdijk. Op de andere delen van Noord/Zuidlijn vinden controles plaats, wanneer daar vondsten worden gedaan. Bij het boren van de tunnels wordt niet opgegraven. Wel zullen de archeologen de opgeboorde grond nog op eventuele overblijfselen bekijken.
Mensen gebruikten zo’n rivier vroeger als stortplaats voor het afval van hun huis of hun werkplaats. Natuurlijk vielen er ook vaak dingen per ongeluk in het water. Bij de opgravingen zijn tot nu toe bijna 700.000 vondsten verzameld. Al dit afval en deze verloren voorwerpen kunnen ons nu in detail vertellen hoe Amsterdammers in vorige eeuwen leefden en werkten.





Terwijl het veldwerk voor de Noord/Zuidlijn wordt voortgezet, is tegelijkertijd de volgende fase van het archeologisch onderzoek aangebroken. Dit houdt eerst in dat alle vondsten worden schoongemaakt en geïnventariseerd. Dan worden ze ingevoerd in digitale gegevensbestanden. Daarmee worden de vondsten ingedeeld naar materiaal, tijdsperiode of hun oorspronkelijke gebruik. Verder worden de veldtekeningen die onder de grond zijn gemaakt omgezet naar driedimensionale digitale plattegronden van de rivierbedding. In deze digitale modellen wordt aangegeven waar de vondsten zich bevonden.
Deze verspreidingsmodellen zijn belangrijk omdat hiermee het ruimtelijke verband kan worden gereconstrueerd tussen de vondsten in de rivier en de structuur van de stad met z’n huizen, gebouwen en werkplaatsen eromheen. Beide vindplaatsen hebben namelijk heel eigen topografische kenmerken. De archeologisch vondsten zijn hier nauw mee verbonden en weerspiegelen deze kenmerken.
Kenmerkend voor de vondsten van het Damrak is dat ze afkomstig zijn van een relatief kleine onderzoekslocatie van slechts 60 bij 20 m. Deze lag ver van de oevers middenin de stroomgeul van de rivier. Daar stond eeuwenlang de Nieuwe Brug. Deze oeververbinding werd ook intensief gebruikt als ontmoetings- en handelsplek en werkplaats. Hier lag de ingang van de middeleeuwse haven. Tot 1600 was de brug onderdeel van de militaire verdediging van de stad en daarna een belangrijke waterkering met een sluis.



Het Rokin is in 1937 gedempt en was tot dan toe een open waterverbinding tot de Dam. Hier is 190 bij 25 m rivierbedding in z’n geheel opgegraven. De rivier ligt hier ingeklemd in een dicht bebouwd stedelijk gebied dat door de eeuwen heen een intensieve gebruiks- en bewoningsgeschiedenis kende. Voor de archeologen weerspiegelen de vondsten dan ook de activiteiten in de vele huizen, winkels, cafés, instellingen, werkplaatsen en straten rond dit stuk van de rivier.
De archeologen zijn nu bezig om al deze gegevens op een rijtje te zetten. Uiteindelijk informeren de archeologische vondsten ons over de ontwikkeling en ruimtelijke geschiedenis van de stad op deze twee plekken. Hiervoor is naast verwerking van de archeologische gegevens ook aanvullend kaartonderzoek en historisch (geschreven) bronnen onderzoek nodig. Hoewel dit werk nog een paar jaar in beslag neemt, volgt hieronder alvast een voorproefje van enkele resultaten.


In de 17de eeuw werd Amsterdam een belangrijke suikerproducent. Er kwamen tientallen raffinaderijen in de stad. Een ervan stond aan het Rokin, ter hoogte van de huidige nummers 83-89 en heette de Drie Suikerbroden. Ter hoogte van deze panden zijn in de bedding van het Rokin sporen van dit bedrijf aangetroffen, in de vorm van duizenden scherven van stroopkannen, strooppotten en suikertrechters.






Op de Nieuwebrug stond geschut en ervoor was een wachthuis voor soldaten op palen gebouwd. Meer dan honderd pijlpunten van vooral de kruisboogpijlen en ook vondsten van andere wapens, zoals een hellebaard en klotendolken, illustreren de militaire functie van de brug. Tot deze categorie vondsten horen ook de twee 16de-eeuwse insignes van Sint Joris, beschermheilige van het kruisboogschuttersgilde.

De Nieuwebrug was de toegang tot de oudste zeehaven van Amsterdam. Toen de haven zich na 1600 naar het IJ verplaatste bleef dit een scheepvaartknooppunt. Het was een dagelijks komen en gaan van schepen. Tijdens het manoeuvreren rond de brug werd geregeld een bootshaak verloren. Hiervan getuigen de meer dan 350 vondsten uit de periode 1300 tot 1900


Sommige vondsten uit het Rokin zijn geen alledaagse gebruiksvoorwerpen. Vanaf het begin van de 17de eeuw had de VOC meerdere handelsposten in Azië. Behalve op grote schaal ingevoerde specerijen en ceramiek, werden ook individuele voorwerpen meegenomen. Onder de Rokin vondsten waren onder meer een Javaanse kris (vermoedelijk 16de eeuws), een Japanse tsuba (stootplaat van een zwaard) uit de 18de-19de eeuw en een 20ste eeuws beeldje van Buddha.






Een kind speelt op de brug en verliest speelgoed of iemand hangt over de brugleuning waarbij zijn bril in het water valt. Uit het Damrak en Rokin kwamen ontelbaar van dit soort alledaagse voorbeelden van verloren persoonlijke eigendommen.


Deze loodjestang uit het Damrak uit circa 1350 werd gebruikt om loden zegels te slaan, die aan rollen laken werd bevestigd als keurmerk van Amsterdamse wolproducten. De ene kop van de tang toont een kaardenbol (wolrasp), een V en een N. De andere mal toont drie maal het Amsterdamse stadswapen. Dit is de oudst bekende afbeelding van het wapenschild met de drie Andrieskruizen. Zo’n archeologische vondst is zeldzaam omdat dit soort gereedschap na z’n gebruiksperiode werd vernietigd. Gezien de gehavende toestand is de tang blijkbaar expres vanaf de Nieuwe Brug in het water gegooid. Het lakenloodje dat op het Rokin is opgegraven is met een dergelijke tang geslagen.




De vondsten op het Damrak en Rokin maken duidelijk dat de Amstel eeuwenlang als openbare afvaldump diende. Het onderzoek leverde dan ook duizenden zakken met uiteenlopend huishoudelijk afval uit vervlogen eeuwen, zoals deze gebroken flessen, faience borden en schalen, mineraalwaterkruiken en spijkers.


In de late Middeleeuwen was Amsterdam een belangrijk pelgrimsoord na het wonder van het Mirakel van Amsterdam in 1345. Van heinde en verre kwam men de Heilige Stede (de huidige Nieuwezijds Kapel) bezoeken, de kerk die op de plek van het wonder was gebouwd tussen Rokin en Kalverstraat. Als souvenir kocht men een pelgrimsinsigne, zoals deze exemplaren van Rokin en Damrak.


Vanaf het begin van de twintigste eeuw werd het vervoer over water steeds meer vervangen door auto en tram. Ook de kade van het Rokin werd een drukke verkeersader. Auto’s raakten zo ook wel eens te water. In 1936/1937 werd het Rokin gedempt en werd het een straat. In die periode had dit deel van de stad zich ook ontwikkeld tot een verzekering- en bancair centrum.
Op deze pagina:
[<] Suikerindustrie
[<] Stadsverdediging
[<] Maritiem Amsterdam
[<] Het verre oosten
[<] Persoonlijke eigendommen
[<] Lakenindustrie
[<] Gebruiksvoorwerpen
[<] Katholiek geloof
[<] Twintigste eeuws Rokin


